Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spon - (tap)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spon1 [tap] {spont [stop, tap in een vat] 1477, spon 1616, vgl. spontgat 1437} middelnederduits, middelhoogduits spunt < italiaans (s)punta < latijn (ex)punctum [prik, steek, gaatje], eig. verl. deelw. van pungere [steken] (vgl. punt1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spon znw. v., ontstaan < *spond, vgl. mnl. spondgat, daarnaast Kiliaen spongie; verder mnd. spunt ‘spon, spongat’ (> ouder-de. spund), mhd. spunt ‘spongat, spon’ (2de nv. spuntes, maar nhd. spund). Het bewaard blijven van de t in mnd. en mhd. wijst reeds op vreemde herkomst, nog meer de grote verscheidenheid der vormen, zoals mhd. punt, punct, bunt(e). — Waarschijnlijk met de wijnhandel in de 11de eeuw overgenomen uit ital. (s)punto < lat. (ex)punctum ‘in een pijp geboorde opening’ (Frings Germ. Rom. 1932, 100). — > russ. škont met paragoge van t van de bijvormen škan, škon (R. v. d. Meulen Ts 28, 1909, 214), indien russ. škont niet op de oudere vorm *špond terug zou gaan. — Zie ook: sponning.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spon znw. Kil. spongie (“Holl.”), Teuth. spont, ook al mnl. in spond-gat. Vgl. mhd. spunt (gen. spuntes; nhd. spund) m., mnd. spunt o. “spon, spongat” > ouder-de. spund “id.”; met secundaire r zw. sprund. De s van de. spuns “spon” wordt verklaard uit de samenst. spunshul “spongat”; we zouden echter dezen vorm, waarbij zich ’t reeds on. sponsa “met een spon dichtstoppen” aansluit, ook met Kil. spongie kunnen vergelijken. De afl. van deze woordfamilie van it. spunto “steek” (*ex-punct-) vermag al de vormen niet voldoende te verklaren; anderzijds echter mogen we de germ. groep ook niet hiervan scheiden. De betrekkingen tusschen de geciteerde vormen onderling en tot de sub bom I vermelde woorden zijn niet voldoende klaar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spon 2 v. (tap), gelijk Mhd. spunt (Nhd. spund), uit het Rom. (Mlat., It.) *spuntam (-a), verbaalabst. van (It.) spuntare = spits maken, een denomin. van Lat. punctum (z. punt) met het præfix ex- == uit, voluit (z. bom 2).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spon (Ouditaliaans (s)punto)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spon ‘tap’ -> Deens spuns ‘tap (voor vat, ton of boot)’; Noors spuns ‘tap’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spont, spånt ‘messing (van een plank)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sprund ‘tap, split’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins runti ‘prop, tap’ ; Ests (p)runt ‘bovenste opening van een vat’ ; Russisch dialect škon; škont, škan; ëkóntik ‘stop op een vat, tap; (kuipersterm) wig tot steun van een hoepel; (timmermansvakterm) wig waarmee de opening in een plank wordt dichtgestopt ter plaatse van een kwast of knoest’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spon tap 1477 [Teuth.] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut