Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

splitten - (verdelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

splitsen ww. ‘verdelen’
Mnl. splitten, spletten ‘splijten’ in den mont ghesplet van ore te ore ‘de bek (open)gespleten van oor tot oor’ [1287; VMNW], splitten van beneden tote boven ‘over de gehele lengte opensplijten’ [begin 15e eeuw; MNW], de tonghe duersteken ende ghesplet ‘de tong doorboord en doorstoken’ [1491; MNW].
Mnl. splissen ‘verdelen, splijten’ in splissinge ‘verdeling van een bezit’ [1434-1542; MNW], Door dit gesplis derft Hy nu Sijn huis ‘door deze verdeeldheid raakt hij nu zijn huis kwijt’ [1583; iWNT]; vnnl. splissen ‘een kabel splitsen’ [1599; Kil.].
Vnnl. splitsen ‘verdelen, splijten’ in verkoopen, splitsen en deylen (van goederen) [1570; iWNT], palen, in vieren gesplitst [1646; iWNT].
Mnl. splitten is een intensiverende vorm met verdubbeling van de medeklinker bij → splijten. Ook vnnl. splissen moet gezien de betekenis op splijten teruggaan, maar de details zijn onzeker (mogelijk -ss- < pie. *-d-t-). De huidige vorm splitsen is jonger dan de andere twee en kan worden verklaard als contaminatie.
Nnd. splitten, splissen, splitsen, splitzen; nfri. splitte, splisse; alle ‘splijten, splitsen, verdelen’, met diverse betekenisnuances en afgeleide betekenissen, zoals ‘touwuiteinden splitsen om deze vervolgens aaneen te vlechten’. Daarnaast nog nnd. splitteren. Vanuit deze talen zijn de woorden verspreid over het Engels en de Scandinavische talen, leidend tot onder meer: (v)ne. split, splice en nde. splidse, spledse, splitte, nzw. splissa, splitsa, splittra.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

splitsen* [verdelen] {1570} een met intensiverend ts gevormde variant van splitten = splissen {1599}, dat gevormd is van splijten, vgl. hitsen van middelnederlands hissen [jacht maken].

splitten* [splijten, splitsen] {splitten, spletten 1285} nederduits splitten, fries splitte; intensivum van splijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

splitten ww. mnl. splitten, naast vla. spletten, nnd. splitten (> nde. splitte), fri. splitte ‘splijten, splitsen’ is een intensief-vorm met korte klinker en -tt- naast splijten. — > ne. split ‘overlangs splijten’ (sedert 1576, vgl. Bense 450).

splitsen ww., eerst na Kiliaen, vgl. nnd. splitsen, fri. splitse is een afl. van het oudere splitten, die beïnvloed kan zijn door mnl. (zelden), nnd. splissen, fri. splisse, waarvan men kan vermoeden, dat ss < d + t ontstaan is. — Zie verder: splijten.

Het woord is (als zeemanswoord?) overgenomen in het dialect van de Weichsel-delta in de bet. touwen samenvlechten (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 218. — Het was in de 16de eeuw overgenomen in ne. splice (sedert 1524-5, vgl. Bense 448) en nog in de 17de eeuw in fra. épisser ‘twee touwen verbinden, door de enkele draden samen te vlechten’ (Valkhoff 124).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spleet znw., mnl. splēte v. (m.?). = Teuth. splete, mnd. splēte m. (v.?) “spleet”, stam *spliti- (voor den vorm vgl. reet I, scheet). Bij ’t ww. splijten, mnl. splîten, mhd. splîʒen (nhd. dial. spleissen), mnd. splîten, ofri. splîta “splijten”. Hierbij nog ndl. split o., nog niet bij Kil., een ook ndd. znw. Ouder dan dit znw. is blijkbaar ’t ww. ndl. splitten, reeds mnl., door Kil. “vetus” genoemd, vla. (reeds bij Maerlant) spletten, ndd. splitten (> de. splitte), (owfri. by-splitta “berooven”), fri. splitte, eng. to split “splijten, splitsen”. Verder hierbij splitsen, nog niet bij Kil. (in deze bet. mnl. splitten), fri. splitse, ndd. splitsen (ook in ’t Skandin. overgegaan), òf een jongere afl. van splitten òf onder invloed hiervan vervormd uit zeldzaam-mnl., oudnnl., ndd. splissen, fri. splisse “splitsen”, dat dan ss uit idg. tt < d-t zou hebben (vgl. beslissen); of heeft dit omgekeerd ss < ts en is ’t dus = splitsen? Kil. vermeldt splissen “rudentum partes extremas absque nodo coniungere”. Men houdt ier. slissiu “dunne lat” voor oerverwant. Voor de idg. basis splī̆d- zie splinter.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

splitsen o.w., intensief van splijten.

splitten o.w., + Ndd. id., Hgd. splittern, Eng. to split, Fri. en De. splitte: intens. van splijten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

splitten (splitte, verl. deelw.?) (scholierentaal) weggaan, opstappen, ’t Is 11 uur, ik split. - Etym.: Vgl. E to split = o.m. uiteenvallen; (zich) verdelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

splitten, † splitteren ‘splijten, splitsen’ -> Engels split ‘stuklopen (van schepen); splijten; splitsen, delen; vertrekken (slang); (echt)scheiden’; Duits splitten ‘(meestal binnen de politiek) splijten, splitsen; verdelen (van aandelen)’ ; Deens splitte ‘splijten, splitsen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds splittra ‘versplinteren, verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands split ‘splijten, splitsen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

splitsen* verdelen 1570 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

splitten (← Eng.), uit elkaar gaan. Oorspronkelijk gebruikt m.b.t. popgroepen; de laatste tijd meer algemeen ingeburgerd, bijvoorbeeld in de betekenis ‘verbroken relatie’. Ook het zelfstandig naamwoord split komt voor.

Propaganda zou niet splitten. (Backstage, oktober 1986)
De Redskins zijn gesplit. (Humo, 18/12/86)
Bekende buiten- en Nederlanders besloten en masse het uit te maken. Splitten is weer in. (Nieuwe Revu, 09/07/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut