Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

splinter - (afgesprongen deeltje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

splinter zn. ‘afgesprongen deeltje’
Onl. splintere alleen als toenaam, mogelijk van een timmerman: gisebertus splentre [1145; Debrabandere 2003], lambertus splenter [1177; ONW], Gerardus Splinter [1185; ONW]; mnl. splinter ‘splinter’, overdrachtelijk in die van dompeiden ghenen splinter Stekende heeft in sinen siin ‘die van domheid niets in zijn verstand heeft zitten’ [1285; VMNW], met sinen splenteren (t.w. van de diamant) ... snidemen ende grauert wale ‘met zijn splinters snijdt en graveert men goed’ [1287; VMNW].
Herkomst onduidelijk. Naast splinter staat een nevenvorm splint ‘splinter’ als in kleyne splintjes [1642; iWNT], die in het Nederlands weliswaar veel jonger is, maar wel equivalenten heeft in het Middelnederduits en Oudhoogduits. Het woord is oorspr. slechts continentaal West-Germaans en lijkt vanwege de beginklanken en de betekenis samen te hangen met → splijten, maar de woordvorm zelf, i.h.b. de -n-, is daarmee niet verklaard. Zie ook het jongere woord → flinter.
Nfri. splinter. Naast de korte vorm splint(e) staan mnd. splinte ‘ijzeren pen’ en ohd. splinza ‘grendel’. Nhd. Splint ‘ijzeren pen’, me./ne. splint ‘id.’, nde. en nzw. splint ‘splinter’ zijn ontleend aan het Middelnederduits. (V)ne. splinter ‘splinter’ is ontleend aan het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

splinter* [afgesprongen deeltje] {splinter(e), splenter [ijzeren boutje, luns, splinter] 1285} van splint; vgl. voor splinternieuw, spiksplinternieuw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

splinter znw. m., mnl. splinter, splenter m., splintere v., evenals rijnlands en fri. splinter, afl. van splint 1. — > brandenburgs (Mark) splinter (met nl. kolonisten, vgl. Teuchert Sprachreste 266); > ne. splinter (sedert 1398, vgl. Bense 449). — Voor een s-loze vorm zie: flenter.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

splinter znw., mnl. splinter (splenter) m. (splintere v.). = ndd., fri., eng. splinter “splinter”. Naast korter mnd. splinte (splente; v.?) “een soort bout of pin of sleutel” (nog bestaand; zie splint), eng. splint “splinter, spalk”, noorw. dial. splint m. “houten pin”. Niet te scheiden van Kil. vlinte (“Sax. Fris.”) “kei”, mhd., mnd. vlins m., mnd. vlint-stên m., ags. flint m. “harde steen, vuursteen, rots” (eng. flint), on. in flettu-grjôt o. “vuursteen”. Wij moeten òf van een idg. basis (s)p(h)lend- uitgaan, verlengd uit (s)p(h)el- “splijten” (zie spouwen), òf van (s)p(h)l-i-n-d-, eenerzijds met (s)p(h)l-ī̆-d- (splijten), anderzijds met (s)p(h)l-i-n-dh- (gr. plínthos “vuursteen”, ier. slind “platte steen”, noorw. dial. splindra “groot plat stuk hout”) na verwant en eveneens bij (s)p(h)el- hoorend. In hoeverre de germ. vormen oud zijn, is moeilijk na te gaan; de associatieve betrekkingen met de woordgroep van splijten (vgl. mhd., md. splitter m. v., nhd. splitter m., mnd. splittere, splettere, zw. splittra “splinter”) maken dat nog moeilijker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

splinter. Ndd. splinter is wsch. uit de Nederlanden naar Brandenburg gekomen (vgl. hermoes Suppl.) en vandaar uit verder door Noord-Duitsland verbreid. Teuchert Teuth. 1, 63.
Ier. slind wordt ook wel met bret. sklent ‘leisteen’ uit lat. scindula afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

splinter m., Mnl. id. + Ndd., Fri., Eng. id.; daarnevens Ndd. splinte, Eng. splint, Zw. en De. id.: Idg. wrt. splend, waarnevens wrt. splindh (z. flintglas), verder verwant met splijten, waarbij Hgd. synon. splitter behoort.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1splinter s.nw.
Skerp afgesplitste stukkie hout, been, glas of yster.
Uit Ndl. splinter (Mnl. splinter, splenter) of Eng. splinter (1398). Ndl. splinter is 'n afleiding van splint (1642) 'splinter'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. Splitter (13de eeu).

2splinter ww.
'n Skerp afgesplitste stukkie hout, been, glas of yster afgee of tot sodanige stukkie breek.
Uit Ndl. splinteren (1599) of Eng. splinter (1582). Ndl. splinteren is 'n afleiding van splinter (sien 1splinter). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. splittern.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wel de splinter in het oog van een ander zien, maar niet de balk in zijn eigen oog, commentaar leveren op kleine ondeugden van iemand anders zonder zich rekenschap te geven van zijn eigen grote fouten en tekortkomingen, die een goed oordeel over een ander juist in de weg staan.

'Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt', zo sprak Jezus in Matteüs 7:1. 'Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden. Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: "Laat mij de splinter uit je oog verwijderen," zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen' (Matteüs 7:1-5, NBV). Deze tekst behoeft geen verdere uitleg. De uitdrukking, soms gereduceerd tot haar kernwoorden splinter, balk en soms ook oog, komt nog steeds regelmatig voor in het taalgebruik.

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 7:3. Wat siet ghi een splinter in ws broeders ooge, ende en wert des balcs niet geware in v ooge? (Statenvertaling (1637): Wat siet ghy den splinter die inde ooge uwes broeders is, maer den balck die in uwe ooge is en merckt ghy niet?)
Het aloude verhaal over splinter, balk en oog krijgt voor hem nog iedere dag meer betekenis. 'De mensen zouden eens moeten zoeken naar zichzelf, op moeten houden altijd over anderen te oordelen. Pas dan kunnen we de wereldproblemen werkelijk oplossen.' (Meppeler Courant, nov. 1993)
Maar tegelijk is zelfs voor de NAVO-fanclub, waartoe de secretaris-generaal Claes en ook de westerse ministers van defensie qualitate qua behoren, Bosnië een voortdurende splinter in het oog. (NRC, feb. 1995)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

splinter ‘afgesprongen deeltje’ -> Engels splinter ‘afgesprongen deeltje; strook spaanhout’; Duits dialect Splinter ‘afgesprongen deeltje’; Zweeds splitter ‘afgesprongen deeltje’ (uit Nederlands of Nederduits); Maltees splinter ‘afgesprongen deeltje’ ; Negerhollands splinter ‘afgesprongen deeltje’; Papiaments † spleenter ‘afgesprongen deeltje’; Sranantongo splintri ‘afgesprongen deeltje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

splinter* afgesprongen deeltje 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1680. Den splinter in een anders oog wel zien, maar niet de balk in zijn eigen,

d.w.z. wel de kleine ondeugden bij een ander waarnemen, maar eigen gebreken niet kennen. Ontleend aan Matth. VII, 3: Ende wat siet gy den splinter die in de ooge uwes broeders is, maar den balck die in uwe ooge is en merckt gy niet? Vgl. lat. in alio peduclum vides, in te ricinum non vides (Petron. 57); Reyn. II, 4792: Sulc siet in eens anders oghe een stro, die selve in sijn oghe een balc heeft (vgl. Hs. 71: Wat siestu een caf in eens anders oghe ende en siestu niet enen balc in dijns selfs); Con. Somme, 402: Dese sien wel een caf in eens anders oghe, mer niet een balc in haers selfs oghe; Brederoo I, 190, vs. 2753; II, 142; enz. Dit gezegde komt in vele talen voor; zie Villiers, 119; Wander, I, 223; IV, 729; fri. hy sjucht de splinter yn oaremans each, mar de balke yn syn eigen each net.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut