Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spleet - (kier, barst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spleet zn. ‘kier, barst’
Mnl. splete ‘id.’ in dor de splete van der poorten ‘door de spleet tussen de poortdeuren’ [1342; VMNW].
Ablautende afleiding (nultrap) van de wortel van → splijten, zoals → beet 2 bij → bijten.
Mnd. splete; < pgm. *spliti-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spleet* [kier] {splete 1342} middelnederduits splete; bij splijten (spleet gespleten).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spleet znw. v., mnl. splēte v., mnd. splēte m. afgeleid van *spliti, een nomen verbale bij splijten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spleet znw., mnl. splēte v. (m.?). = Teuth. splete, mnd. splēte m. (v.?) “spleet”, stam *spliti- (voor den vorm vgl. reet I, scheet). Bij ’t ww. splijten, mnl. splîten, mhd. splîʒen (nhd. dial. spleissen), mnd. splîten, ofri. splîta “splijten”. Hierbij nog ndl. split o., nog niet bij Kil., een ook ndd. znw. Ouder dan dit znw. is blijkbaar ’t ww. ndl. splitten, reeds mnl., door Kil. “vetus” genoemd, vla. (reeds bij Maerlant) spletten, ndd. splitten (> de. splitte), (owfri. by-splitta “berooven”), fri. splitte, eng. to split “splijten, splitsen”. Verder hierbij splitsen, nog niet bij Kil. (in deze bet. mnl. splitten), fri. splitse, ndd. splitsen (ook in ’t Skandin. overgegaan), òf een jongere afl. van splitten òf onder invloed hiervan vervormd uit zeldzaam-mnl., oudnnl., ndd. splissen, fri. splisse “splitsen”, dat dan ss uit idg. tt < d-t zou hebben (vgl. beslissen); of heeft dit omgekeerd ss < ts en is ’t dus = splitsen? Kil. vermeldt splissen “rudentum partes extremas absque nodo coniungere”. Men houdt ier. slissiu “dunne lat” voor oerverwant. Voor de idg. basis splī̆d- zie splinter.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spleet v., + Hgd. splisz: van denz. stam als ’t meerv. imp. van splijten.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

spleet: (vulgair) meisje of vrouw. Vgl. doos* en gleuf*.

Als ik ineens heftig zin heb in klaarkomen en ik kan zo gauw geen lekkere spleet vinden, die me terug wil likken, dan ga ik onder een lauwe douche staan vingeren. Dan kom ik lekker relaxed klaar met de schuldeloosheid van een masturberende aap in de dierentuin. (Candy, 1975)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spleet, van splijten, evenals split, waarvan ook splinter (voor splitter, met invoeging der n, vgl. ’t Hgd. Splitter en ons bitter van bijten). – Splitsen is een intensief van splijten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spleet ‘kier; (verouderd) afgespleten stuk, gekloofd hout’ -> Engels † spleet ‘wilgenteen’; Negerhollands split ‘kier’; Papiaments splet (ouder: spleet) ‘kier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spleet* kier 1342 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut