Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spitten - (graven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spitten ww. ‘graven’
Mnl. spitten ‘graven, spitten’, overdrachtelijk ‘hard werken’ in Dus heift hi over niet ghespidt ‘dus heeft hij voor niets zo hard gewerkt’ [1350-1400; MNW-R], Si en connen dammen, graven no spitten ‘ze kunnen noch een dam aanleggen, noch graven of spitten’ [1400-20; MNW-R].
Misschien een afleiding van → spit 1, zodat de oorspr. betekenis ‘met een spits voorwerp in de grond steken’ is.
Mnd. spitten; nfri. spitte; oe. spittan ‘met een spade graven’ (ne. dial. spit; met een bijbehorende afleiding oe. spital ‘kleine spade’, ne. dial. spittle).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spitten* [uitgraven] {1350} van spit1 [scherp voorwerp].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spitten ww., mnl. mnd. spitten, oe. spittan is een afl. van spit 1 en betekent dus ‘met een spits voorwerp in de grond steken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spitten ww., mnl., mnd. spitten komt van spit I als naam van een spitwerktuig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spitten. Vgl. ook ags. spittan ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spitten o.w., Mnl. id., denom. van spit 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spit: s.nw. en ww., braaivurk; rugpyn; steek met graaf; diepte van steek (bv. onderspit); Ndl. spit (Mnl. spit/spet, Hd. spiess, Eng. spit, hierby Ndl. ww. spitten (Mnl. spitten), Eng. spit, gemene bet. ong. “met ’n skerp voorwerp steek” (wat bet. “rugpyn” betref, n.a.v. volksgeloof).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spitten ‘uitgraven’ -> Frans dialect spiter; spitè; espiter ‘opspatten; laten opspuiten (van bloed); heimelijk vluchten, haastig vluchten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spitten* uitgraven 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut