Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spitsvondig - (scherpzinnig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spits 1 bn. ‘puntig; scherpzinnig’
Vnnl. spits ‘puntig; vinnig, bits; scherpzinnig’ in een cleyn spits blaederken ‘een klein puntig blaadje’ [1552; iWNT vleeschachtig], Soo wert sy heel spits, ... Hem nauwelijck ghevende een goet woort [1555; iWNT], spits van beleyt en raat [ca. 1615; iWNT].
Ontleend aan Duits spitz ‘puntig; scherpzinnig’ < Oudhoogduits spizzi ‘puntig’ < Proto-Germaans *spitja-, een afleiding van *spita- ‘puntig voorwerp’, zie → spit 1.
spitsvondig bn. ‘vindingrijk, scherpzinnig’. Vnnl. spitsvindig ‘id.’ spitsvindicheyt ghebruycken int spreken [1556; Dasypodius], in om dat ick ... heel spits-vinnig schrijf [1616; iWNT], spitsvondigh ‘id.’ [1616; iWNT]. Gevormd uit spits in de betekenis ‘scherpzinnig’ en vondigh ‘vindingrijk’ [1550; iWNT vond]. Aanvankelijk bestonden spitsvondig en spitsvindig naast elkaar, als leenvertaling van Vroegnieuwhoogduits spitzfündig en spitzfindig. In het Duits is de vorm met -i- de standaardvorm geworden, terwijl het Nederlands alleen de vorm met -o- heeft behouden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spitsvondig [scherpzinnig] {1617} < verouderd hoogduits spitzfündig (tegenwoordig spitzfindig), van Spitz (vgl. spits2) + -findig, van finden (vgl. vinden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spitsvondig bnw. eerst 17de eeuw < oudernhd. spitzfündig. Maar reeds mnd. spitzvunt ‘spitsvondig mens’. Kiliaen kent wel het woord spits-sinnigh.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spitsvondig bnw., nog niet bij Kil. Uit oudnhd. spitzfündig. Mnd. reeds spitzvunt m. “spitsvondige persoon”. Vgl. Kil. “spits-sinnigh. j. scherp-sinnigh”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spitsvondig bijv., naar Hgd. spitzfündig: uit spits (z. spitsboef) en vond, die door middel van -ig tot één woord verbonden zijn.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spitsvondig (Duits spitzfindig)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spitsboef is een puntige, fijne, sluwe boef (en boef is. oorspr. een knaap, vgl. ’t Hgd. Bube); eveneens is spitsvondig: spits (= fijn, loos) van vond (ons vondst), m.a.w.: wat fijn gevonden is; oorspr. dan ook in gunstige bet., vgl. Brandt: „de allergeleerdsten en spitsvondighsten.” In spitsbroeder is spits het Hgd. Spiess = spiets, speer, lans, dus ook al: het scherpe wapen; het woord beantwoordt alzoo aan ons: wapenbroeder. – Door de spitsroeden gaan is letterlijk: door de spitse roeden gaan.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spitsvondig scherpzinnig 1617 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut