Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spitsen - (scherp luisteren)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spitsen ww. Reeds bij Kil. (“exacuere, praeacuere, spiculare”), mnd., ohd. Uit ’t Hd. ontleend; evenzoo in zich spitsen op. Teuth. reeds spyttzyng “het zich-verheffen”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

spitse (ziech) (ww. wdkd.) zich op iets verheugen; Nuinederlands spitsen <1599> < Duits spitsen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2spits ww.
1. Skerper luister. 2. Fokus of op iets hoop. 3. Puntig maak.
Uit Ndl. spitsen (ongeveer 1610 in bet. 1 en 2, 1642 in bet. 3).
D. spitzen.

Hosted by Meertens Instituut