Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spit - (braadspit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spit 1 zn. ‘staaf waaraan men vlees roostert’
Mnl. spet [1240; Bern.], spit in .i. gans. rou. gheplucht an .i. spit. ‘een ongebraden, geplukte gans aan een spit’ [1266-68; VMNW], mv. spete [1285; VMNW].
Ohd. spiz (nhd. Spieß); oe. spitu (ne. spit); nzw. spett; < pgm. *spita-, *spitō-. Hoewel de oudst geattesteerde betekenis (ohd., oe. en mnl.) al ‘braadspit’ is, moet de oorspr. betekenis toch algemener ‘puntige staaf’ of ‘puntig voorwerp’ zijn geweest, op grond van de afleidingen → spits 1 en → spitten.
Verdere herkomst onzeker. Men neemt meestal aan dat het woord is afgeleid van de onder → spijker genoemde wortel *sp(e)i- ‘puntig zijn’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spit1* [braadspit] {spit, spet 1201-1250} middelnederduits spit, spet, oudhoogduits spiz (hoogduits Spieß), oudengels spitu (engels spit); van dezelfde stam als spie1, spijker1, spijl.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spit 1 znw. o. ‘braadspit’, mnl. spit, spet (gen. spētes), mnd. spit, spet o., ohd. spiz m. (nhd. spiess), oe. spitu v. (ne. spit) ‘braadspit’, maar nnoorw. dial. spita ‘punt, dunne waterstraal’. — Dentaal-afl. van de idg. wt. *sp(h)ēi ‘spits zijn’, die onder spijker behandeld is. — Zie ook: speet en spies.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spit I (braadspit) znw. o., mnl. spit, spet (gen. spêtes) o. Onder invloed van de casus obliqui en ’t mv. ontstond de nomin. speet (vgl. staaf). = ohd. spiʒ (nhd. spiess) m., mnd. spit, spët o., ags. spitu v. (eng. spit) “braadspit”, noorw. dial. spita v. “pin”. Met ablaut noorw. dial. spît m. “punt, dunne waterstraal”. Van een uit spī̆- verlengde idg. basis spī̆d-: vgl. bij spijker I. Voor een eventueele anlautvariant zie bij vin. Uit ’t Germ. de rom. groep van it. spito “braadspit”, fr. épois “hoorneinden van een hert”. Van germ. *spita- ’t bnw. *spitja-, ohd. spizzi, mhd. spiz, spitze, nhd. spitz “spits”, waaruit mnd. spis, spitz, ndl. spits (sedert de 16. eeuw), de. spids “id.” ontleend zijn. Op ’t znw. mhd., nhd. spitze (ohd. spizza, ) v. “spits, punt” gaan mnd. spisse, spitze v., ndl. spits (bij Kil., ook Teuth.), de. spids, zw. spets “id.” terug.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spit I. “Ags. spitu v.” lees: “ags. spitu (v.?)”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spit 1 o. (spitse stok, keukentoestel), Mnl. id. + Ohd. spiʒ (Mhd. id., Nhd. spiesz), Ags. spitu (Eng. spit), Zw. spett, De. spid, van denz. wortel als spier 1, spijker 1 en spijl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spit (de, -ten), (ook, niet alg.:) spitvork. - Etym.: AN s. (mv. speten) = o.m. puntige, metalen staaf waaraan vlees gestoken wordt om het door verhitting te bereiden. - Syn. spitsvork*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spit (aan ’t spit braden; ook: schop, spade) houdt men voor een afl. van den wt. spi = spits zijn (zie Spier). Spitten is: met een spit werken, d. w. z. met een spits werktuig, daar de oudste vorm van grond „spitten” (d.i. voor de komst der Romeinen) eenvoudig hierin bestond, dat men den bodem met een spitsen stok of steen wat omwoelde. – Het onderspit delven is: het onderste spit graven, dus het moeilijkste werk doen (men moet daarbij immers de uitgegraven aarde omhoog werpen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spit ‘braadspit, ijzer om mee te steken’ -> Noors spidd ‘braadspit’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spett ‘koevoet, breekijzer, spies’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † spetelincq ‘werktuig waaraan men iets ophangt (bijv. haringen)’; Frans épite ‘wig om een gat te dichten, een onderdeel te verdikken of te stutten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spit* braadspit 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut