Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spiritus - (gedenatureerde alcohol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spiritus zn. ‘gedenatureerde alcohol’
Vnnl. spiritus ‘zenuwstillend of opwekkend geneesmiddel in alcohol’ in een anti-elepticael water ofte spiritus [1668; WNT zacht]; nnl. spiritus ‘alcohol, wijngeest’ in voor bederving bewaren ... in een krachtig nat, gemeenlyk Spiritus genoemd [1714; WNT], ‘alcohol die wordt aangestoken om licht of warmte te produceren’ in samenstellingen als spirituslampje [1843; WNT warmte], spirituskomfoor [1920; WNT soda].
Geleerde ontlening aan Latijn spīritus ‘geest, ziel, moed; adem’, dat een afleiding is van spīrāre ‘ademen’, waarvan de verdere herkomst onbekend is.
Het woord geest had vroeger ook de betekenis ‘vluchtige stof die door destillatie uit een vaste stof of vloeistof ontstaat’, zie → geest 1; zo bestonden wijngeest ‘ethylalcohol, spiritus’ [na 1660; WNT], geest van salpeter ‘salpeterzuur’ [1724; WNT Aanv. gal], geest van zout ‘zoutzuur’ [1773; WNT geest]. Deze betekenis kon ontstaan doordat men een dergelijke stof beschouwde als de essentie, de ziel of geest, van die vaste stof of vloeistof. In het Latijn werd voor die essentie het woord spiritus ‘geest’ gebruikt. Het woord spiritus, letterlijk ‘adem’ had de betekenis ‘levenskracht’ en ‘ziel, geest’ gekregen, omdat de adem gezien werd als de essentie van het leven en daardoor ook van de ziel. Spiritus werd in de vroege Latijnse Bijbelvertalingen al gebruikt als vertaling van Grieks pneũma ‘adem, (Heilige) geest’ en Hebreeuws rūaḥ ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spiritus [alcohol] {1714} < latijn spiritus [luchtstroom, adem, leven, uitdamping, geest] (vgl. wijngeest, geest van zout e.d.) (vgl. spirit).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spiritus znw. m., eerst nnl. < lat. spiritus eig. ‘adem’ dan ook ‘geest’ en nu toegepast op ‘wijngeest, alkohol’, later ‘niet voor consumptie geschikte alkohol’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spiritus znw., nog niet bij Kil. Uit lat. spîritus, oorspr. “adem”. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spi’ritus (de), (veroud.) sterke drank. De gewoonte van den slaventijd om het volk elken middag een borrel te schenken, was op Caledonia behouden. De directeur* mocht van de suikerplantage Kent, iets verder, aan de Saramaccapunt gelegen, de spiritus die daarvoor noodig was, koopen (Bartelink 71). - Etym.: In AN al eerder veroud.; bet. nu: gedenatureerde alcohol, vrnl. gebr. als brandstof en schoonmaakmiddel. - Syn. snaps*, sopi* (1); daru*, ramtahal*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spiritus (Latijn spiritus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spiritus ‘vloeistof met alcohol’ -> Indonesisch sepiritus, spiritus ‘vloeistof met alcohol’; Jakartaans-Maleis sepiritus, spirtus ‘vloeistof met alcohol’; Javaans sepritus ‘vloeistof met alcohol’; Madoerees spirtūs ‘vloeistof met alcohol’; Papiaments spíritùs ‘vloeistof met alcohol’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spiritus alcohol 1714 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut