Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spint - (buitenste jaarringen van bomen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spint2* [buitenste jaarringen van bomen] {spin(t) 1445} naast middelnederlands spintcant [het vet of vlees van de buik], spec(k) [spek, spint], middelnederduits, oudhoogduits spint (hoogduits Spind) [ook vet], oudengels spind, oudsaksisch spind [vet]; mogelijk verwant met latijn spissus [dicht opeengedrongen, dik], litouws speisti [omringen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spint 1 znw. o. mnl. spint ‘het lichte, zachte hout tussen schors en kernhout’, oudernnl. ook ‘spek’, evenals mnl. spec ook ‘spint’ betekenen kan. Kiliaen noemt het woord Germ. Sax. Sicamb. Holl. — Eigenlijk is de vorm spind, vgl. os. spind (maar mnd. spint), oe. spind ‘vet’.

Er bestaat een mogelijkheid, dat het woord evenals spek afgeleid is van dezelfde idg. wt. *sp(h)ēi ‘gedijen, zich uitstrekken’, want wij kennen daarvan ook dentaal afleidingen, zij het ook niet in de speciale bet. van spint, vgl. lat. spissus (< *spid-to) ‘dicht, dik, langzaam’ en met tenuis: lit. speičiū, speĩsti ‘omringen’ (IEW 984, die echter het nl. woord niet vermeldt).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spint znw. o., mnl. spint (alleen in den onverbogen vorm; oudnnl. ook = “vet”). Met t evenals kruit; tegelijk zou ook de onverbogen du. vorm invloed gehad kunnen hebben: Kil. noemt het woord “Germ. Sax. Sicamb. Holl.”. Ohd., mhd. spint m. beteekent ook “vet”, hetgeen de eenige bet. is van os. spind (o.? mnd. spint o. “spint”), ags. spind (m. o.?). Voor de bet. vgl. ndl. spek en lat. adeps, die ook “spint” beteekenen. Oorsprong onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spinde. Over verbreiding en bett. van het woord in het Rijnland zie Frings Germ. Rom. 146, in Zuid-Nederland (waar het aan het uitsterven is) Pauwels Hand. Kon. Comm. v. Topon. en Dialectologie 8 (1934), 37 vlgg. Wsch. is † spint (inhoudsmaat) o., mnl. spint o., spinde (v.?), Kil. spinte hetzelfde woord met secundaire t uit de geapocopeerde vorm.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spint 2 o. (aan den boom), Mnl. id., Os. spind + Ohd. spint (Mhd. id., Nhd. spind), Ags. spind.: oorspr. onbek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spint* buitenste jaarringen van bomen 1445 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut