Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spik - dial. (soort bruggetje)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spik znw. v. o. (gewestelijk) ‘bruggetje van ruwe stammen met plaggen of zoden bedekt’, os. spekkia, mnd. specke, nhd. dial. specke ‘rijshout, rijsdam, balkenbrug’ < germ. *spakjōn; zie verder: speek en spaak.

Opmerkelijk is daarnaast de vorm spijk, die, indien niet een secundaire variant, tot een andere groep woorden behoren moet en wel tot spijker 1.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

spek 'rijshout'
Mnl. specke, spicke, spick, os. spekkia, mnd. specke, nhd. dial. specke 'rijshout, rijsdam, balkenbrug'. Vaak ter aanduiding van een uit rijshout, zand, zoden en dergelijke bestaande weg, gemaakt in een moerassige streek (spicken die men in qwaiden weghen leghet), of van een bruggetje van ruwe stammen en rijshout met plaggen of zoden bedekt (die brugge ofte spick aever die strangh)1.
Lit. 1Vergelijk -> Spekhoek en -> Spekt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spik ‘spikkel, stippel, vlekje’ -> Engels speck ‘spikkel, stippel, vlekje’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut