Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spijt - (berouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spijt zn. ‘berouw; leedwezen’
Mnl. spijt ‘smaad, hoon, minachting’ in in sijn spijt ‘om hem te honen’ [begin 15e eeuw; MNW], grote spijt doen ‘met minachting bejegenen, schande aandoen’ [1481; MNW]; vnnl. ‘woede, wrok’ in seyde de Sarasijn in spite ‘zei de Saraceen vol woede’ [ca. 1540; MNW], ‘leedgevoel, spijt’ in mi selven die keele afsteken uut spijte [begin 16e eeuw; MNW]; nnl. spijt ‘teleurstelling’ in geen een (kind) ... tot mijn spijt [1840; WNT], ‘berouw’ in Ze had nu spijt van kleine kibbelarijtjes met mama [1901; Kuipers].
Verkorting van ouder despijt ‘smaad, minachting’ [ca. 1350; MNW], ‘spijt, wrok’ [ca. 1400; MNW], dat ontleend is aan Oudfrans despit ‘wrok’ [1160-74; TLF] en ‘minachting’ [1140; TLF] (Nieuwfrans dépit) < Latijn dēspectus ‘minachting’, afleiding van het ww. dēspicere ‘neerkijken op, minachten’; dat ww. is gevormd met het voorvoegsel dē- ‘vanaf, vanuit’, zie → de-, bij het ww. specere ‘zien, kijken’, verwant met → spieden.
spijtoptant zn. ‘iemand die zijn besluit betreurt’. Nnl. De Indonesische staatsburgers van Nederlandse origine die hun Nederlands staatsburgerschap terug willen hebben, de zgn. spijtoptanten [1958; Dagblad Amersfoort], dan ook algemeen ‘iemand die een genomen besluit wil terugdraaien’ in spijtoptant wil toch weer voor CD in raad Vlissingen ‘raadslid dat zijn aftreden betreurt’ [1995; Zierikzeesche Nieuwsbode]. Gevormd van spijt ‘berouw’ en optant ‘kiezer, wenser’, een afleiding van opteren ‘wensen, kiezen’, zie → optie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spijt1 [berouw] {despijt 1300, spijt 1436} < oudfrans despit (frans dépit [berouw]) < latijn despectus [verachting], van despicere [van boven af op iets of iem. neerkijken, verachten, geringschatten], van de [van boven naar beneden] + specere (in samenstellingen -spicere) [kijken]. De eerste lettergreep van oudfrans despit werd als lidwoord opgevat en weggelaten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spijt znw. v., mnl. spijt o. v. m. naast ouder despijt o. ‘smaad, hoon, minachting, spijt, wrok’, mnd. spīt m. ‘smaad, spijt, hoon’ (uit het nl.?), ne. despite, spite ‘spijt, wrok, nijd’ < ofra. despit (fra. dépit) < lat. despectus ‘verachting’.

Het wegvallen van de onbetoonde eerste lettergreep ook in mnl. seplîne < disciplîne, storbêren < destorbêren, vgl. ook nog pul, muts, schofferen. — Het gebruik als voorzetsel (evenals trots) komt reeds in het mnl. voor; Kiliaen gebruikt nog te spijte van.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spijt znw., reeds mnl. spijt o. v. m. naast ouder despijt o. “smaad, hoon, minachting, spijt, wrok”. Voor het verdwijnen der toonlooze eerste syllabe vgl. mnl. seplîne = disciplîne, lōvie = dilōvie, storbêren = destorbêren, ook schofferen, pul, muts. Bij spijt kan de omstandigheid meegewerkt hebben, dat men in de- het artikel voelde. Evenals mnd. spît m. “smaad, spijt, hoon” (uit ’t Ndl.?), eng. despite, spite “spijt, wrok, nijd” uit ofr. despit (fr. dépit) < lat. dêspectus “minachting, spijt”. — Als voorz. komt reeds mnd. spît voor, bij Kil. nog slechts te spijte van. Met ’t voorz. spijt vgl. trots.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spijt 1 v. (leedwezen), gelijk Eng. spite, uit Ofr. despit (thans dépit), van Lat. despectum (-us) = verachting, afgel. van despicere = op iets neerzien, iets verachten (de- = weg, af; z. ook spieden).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

spiet (zn.) spijt; Middelnederlands spijt <1436> < Frans despit.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spijt (van Oudfrans despit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spijt, van ’t O fr. despit (thans dépit) van ’t Lat. despectus = minachting, verachting, van de = weg, af, en den wt. spec = zien (zie Spiegel). Het woord w.d.z.: het met verachting op iets zien; of: het gezicht van iets afwenden uit afgunst; met spijtige blikken. Hieruit ontwikkelde zich ook de meer gunstige bet. van: leedwezen, berouw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spijt ‘berouw’ ->? Duits Spiet ‘berouw’ ; Negerhollands spit ‘berouw’; Sranantongo speiti ‘berouw’; Surinaams-Javaans Spèthi ‘plaatsnaam (Nijd en Spijt)’; Surinaams-Javaans spèit ‘berouw’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spijt berouw 1436 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut