Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spijs - (voedsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spijs zn. ‘eetwaar; amandelpers’
Mnl. spise ‘voedsel’ [1201-25; VMNW], ‘voedsel, maal’ [1240; Bern.], ‘voedingswaar’ in alrehande spisen ‘allerlei voedingswaren’ [1265-70; VMNW], ook overdrachtelijk in gheestelike spise ‘geestelijk voedsel’ [1265-70; VMNW], ook ‘welriekende stof, specerij’ in wierooc jof ander diere spise ‘wierook of een andere kostbare specerij’ [1287; MNW SPISE]; vnnl. ook ‘vulling of belegsel voor een taart of vlaai’ in peeren ... geven lecker moes en spyse tot een taert [ca. 1655; WNT spijs II]; nnl. spijs ‘amandelpers’ eerst in de samenstelling amandelspijs [1875; WNT Supp. amandelbrood], dan ook verkort tot spijs ‘amandelpers’ in ... een dikke “M” gevuld met heerlijke spijs en Kerstbrood met spijs [1946; Leeuwarder Courant].
In de betekenis ‘eetwaar’ een tamelijk vroege Germaanse ontlening aan middeleeuws Latijn spesa ‘eetwaar’, ouder spensa < klassiek Latijn expensa (pecūnia) ‘bestedingen, uitgaven’, verl.deelw. van expendere ‘uitgeven’, zie → spenderen.
De betekenis ‘amandelpers’ is een versmalling van een algemenere, in het BN nog gebruikelijke, betekenis ‘zoete vulling, gekruide vulling’, die wrsch. is ontstaan door invloed van of verwisseling met mnl. specie ‘specerij, welriekende stof, geneeskrachtig kruid’, zie → specerij.
Ook mnd. spise (waaruit nde. (vero.) spise); ohd. spīsa (nhd. Speise); ofri. spise; alle ‘eetwaar’.
spijzigen ww. ‘te eten geven’. Vnnl. de stadt ghespijsight ‘de stad (Leiden na het ontzet) van voedsel voorzien’ [1575; WNT], temmen en spijsigen der wilde beesten [1634; WNT]; nnl. de manschappen ... zullen worden gespijzigt [1810; WNT]. Gevormd van spijs met het achtervoegsel → -igen. In het Middelnederlands bestond al een ww. spisen ‘voeden, te eten geven’, afgeleid van spise; dit ww. is in de 19e eeuw in het NN buiten gebruik geraakt (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spijs1 [voedsel] {spise, spijs 1236} middelnederduits, oudfries spise, oudhoogduits spisa < latijn expensa [uitgave, in me. lat. kosten, gedwongen voedsellevering, levensmiddelen], van latijn expendere [afwegen, uitbetalen], van ex [uit] + pendere [wegen, betalen] (vgl. pensioen, spenderen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spijs 1 znw. v., mnl. spîse v., mnd. spīse, ohd. spīsa (nhd. speise), ofri. spīse v. ‘leeftocht, spijs’, een kloosterwoord van de 8ste of 9de eeuw < mlat. spēsa < spensa < lat. expensa (pecunia) van expendere ‘besteden’ eig. ‘uitwegen’ (zie ook spenderen). — Gelijke klankontwikkeling ook in zijde 2 en krijt, voor de bet. zie nog: kost.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spijs znw., mnl. spîse v. = ohd. spîsa (nhd. speise), mnd., ofri. spîse v. “leeftocht, spijs”. Uit mlat. rom. spêsa < spensa < expensa, verl. deelw. van expendere “uitgeven” (vgl. spenderen). Voor de î vgl. zijde II, voor de bet.-ontwikkeling vgl. kost.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spijs v., Mnl. spise, gelijk Hgd. speise en It. spesa, uit Mlat. spesam (-a) = uitgaaf, kosten, onderhoud (vergel. iemand den kost geven), van Lat. expensa, zelfst. gebr. vr. v.d. van expendere: z. spandeeren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spys: – spyse – , eetgoed, voedsel; Ndl. spijs (Mnl. spīse), Hd. speise, uit Ll. spēsa uit spensa uit Lat. expensa, verl. dw. v. expendere, “bestee, uitgee, uitweeg” (bv. daaglikse rantsoen); vgl. spens.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spijs (Latijn spesa)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spijs, van ’t M.-Lat. spesa = uitgaaf, kosten, onderhoud, van ’t Lat. expensa (uitgave) van expendre = uitgeven, vgl. ons „spandeeren”. Het woord spijs w.d.z. de kosten voor het onderhoud van den mensch, later meer bepaald het voedsel zelf. Vgl. nog: den kost geven, d.i. letterlijk: de kosten voor het onderhoud geven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spijs ‘voedsel’ -> Duits Speise ‘voedsel; pudding’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens spise ‘voedsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spise ‘voedsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spis ‘voedsel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spijs voedsel 1236 [CG I1, 25] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2126. Verandering van spijs doet eten,

d.w.z. door nu en dan eens te veranderen van spijs, behoudt men eetlust; bij overdracht: door verandering van werkzaamheid, van uitspanning enz. verliest men den lust, het genoegen daarin niet; gri. μεταβολη παντων γλυκυ; lat. varietas delectat. In de Prov. Comm. 759 vinden we: vele gherichten doen vele eten, hoc plures escae faciunt bene quodlibet esse. Vgl. verder Sart. I, 8, 31: veranderingh van spijs doet wel eeten; Smetius, 159: verscheydentheyt van spijse doet eten; Huygens, Een onwetend Medecyn, 20: nieuwe schotelen ontsteken niew' begeert; V.d. Venne, 260: verandering van Gras doet de Koeyen dyen; De Brune, 177:

 Veranderingh van praet en kout,
 De menschen in vermaecking houdt.
 De nieuwe spijs tot sausse streckt,
 Die ons den appetijd verweckt.

Zoo ook bij Brederoo, I, 278, vs. 255: Verandering van spijs, seyt men, doet wel eten (obscoen); III, 412, 71: Verandering van spijs maakt lust en appetijt; Vierl. 36; Tuinman I, 341: verandering van spijs doet wel smaaken; II, 1; Adagia, 65: verhanderinge van Speijs doet wel Eten. jucunda rerum vicissitudo; Afrik. verandering van spyse (kos) laot eet (gee eetlus); Joos, 160: verandering van spijzen geeft nieuwen appetijt; in het Friesch: foroaringe fen spize docht iten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut