Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spijl - (staaf in traliewerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spijl zn. ‘staaf in traliewerk’
Mnl. spile ‘staaf in een traliewerk’ in Betaelt G. die smit ... twee hanghen van X st. ende XX spylen van 4 st ‘G. de Smit heeft twee scharnieren van 10 stuivers en twintig spijlen van 4 stuivers betaald’ [1477-78; MNW]; vnnl. 3 groete spylen in een trali ‘drie stevige spijlen in een traliewerk’ [1511; iWNT tralie], ook wel ‘houten spie of wig voor het afsluiten van vaten’ in geplugget ... mit ... spylen van geclooffden hout ‘afgesloten met wiggen van gespleten hout’ [1511; MNW].
Mnd. spile ‘houten staaf’; nfri. spile, spyl ‘spijl’; nhd. dial. Speil ‘houten staaf, spie, wig e.d.’; on. spila ‘spijl’ (nno. spile/spil ‘id.’), vne. en ne. dial. spile ‘afsluithoutje, tapkraantje’ is wellicht ontleend aan het mnl.; < pgm. *spīla-, *spīlō-.
Herkomt onduidelijk. Men neemt meestal aan dat het woord is afgeleid van de onder → spijker genoemde wortel *sp(e)i- ‘puntig zijn’. Mogelijk verwant met: Grieks spilás, spílos ‘klip, rots’; Lets spīle ‘houten pin’. De -l- in het Germaans kan ook door assimilatie teruggaan op -dl- en dan evenals mhd. spidel, spedel ‘houtsplinter’ (nhd. dial. Speidel) teruggaan op een afleiding met pie. *-tlo-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spijl* [staaf] {in de vroegere plaatsnaam Spilmeri (ligging onbekend) 901-1000, spile, spijl [spijl, pin] 1477-1478} middelnederduits spile, middelhoogduits spīl [punt], fries spile [spijl]; buiten het germ. latijn spina [doorn], grieks spilos [puntig rif], litouws spylys [spijl], lets spile [houten pen, spijl], tsjechisch spíle [puntige pen]; de grondbetekenis is ‘puntig voorwerp’. Van dezelfde stam als spijker1 en spit1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spijl znw. v., vroeg-nnl. spylen ‘spijlen, pinnen’ (Briele 1477-8), Kiliaen (Holl. Fris.) ‘palen in wallen’, mnd. spīle v. ‘dunne staak, pin’, mhd. spīl m. ‘punt’, (nhd. speil, speiler), fri. spyl, spīle, ne. dial. spile ‘spijl’; daarnaast abl. on. spīla v. ‘smal stukje hout’. — gr. spílos ‘rots, klip’, lett. spîle ‘houten pin’, bij de idg. wt. *(s)p(h)ēi (IEW 981), waarvoor zie verder: spijker. — > ne. spile ‘splinter, smalle lat’ (sedert 1513, vgl. Bense 443).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spijl znw., bij Kil. alleen in ’t mv. (“Hol. Fris.”) in de speciale bet. “stipites intergerini in alveariis”, laat-mnl. en vroegnnl. (Briele 1477/78, Amsterdam 1511) spylen “spijlen, pinnen”. = mhd. spîl m. “punt”, mnd. spîle v. “dunne staak of pin” (nhd. speil, speiler m.), fri. spyl, spile, eng. dial. spile “spijl”. Met ablaut on. spila v. “dun stukje hout” (nieuwnoorw. ook spîla, spîl). Evenals gr. spilás, spílos “klip, rots”, (čech. spíle “spit, spits hout”, lett. spîle “houten pin of vork” met l-formans van de basis spī̆- “spits zijn”, waarvan ook spier I, lat. spîna “doorn” en de bij spijker I besproken verlengde bases. Germ. *spîla-, -ô- zou ook l uit ðl kunnen hebben en evenals mhd. spidel, spëdel m. “splinter” het formans idg. -tlo- (-tlâ-) bevatten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spijl v., Mnl. id. + Mhd. spîl, Ndd. spile (Hgd. speil, speiler), dial. Eng. spile + Gr. spílos = klip, Czech. spile = spits hout, Lett. spîle = houten pin: van denz. wortel als spier 1, spijker 1 en spit 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spijl ‘staaf, pen, spie’ -> Engels spile ‘spil, staafje; spon, plug; tap, kraantje’;? Duits dialect Spaele ‘stang’; Pools szpil ‘staaf’; Russisch špil' ‘punt, puntige nagel; windas, rechtop staande lier bij het ankerlicht’; Oekraïens špil' ‘puntige nagel’ ; Wit-Russisch špil' ‘lange spijker’ ; Azeri špil' ‘puntige nagel’ ; Papiaments speilu ‘staaf; dun staafje van traliewerk of balustrade; spil (bijv. van een scharnier); dunne latjes van een vlieger’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spijl* staaf 0901-1000 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut