Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spijker - (nagel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spijker zn. ‘gepunte metalen stift’
Mnl. spiker ‘spijker’ in .xviij. d omme spikere ‘18 penningen voor spijkers’ [1284; VMNW].
Mnd. spiker ‘spijker’ (vanwaar door ontlening nde. spiger, nno. spiker); mhd. spīcher ‘id.’; nfri. spiker; < pgm. *spīkra-.
Afleiding van *spīka-, waaruit on. spíkr ‘id.’ (nzw. spik, en door ontlening me./ne. spike); met andere betekenis ook pgm. *spīkō- > on. spík ‘houtsplinter’ (nno. spik).
Verdere herkomst onduidelijk. Afleiding van Latijn spīca ‘korenaar’ (OED) lijkt onwaarschijnlijk vanwege het betekenisverschil; weliswaar hebben de hieruit ontwikkelde Romaanse woorden (o.a. Oudfrans espi > Nieuwfrans épi ‘aar’, Spaans en Portugees espiga ‘id.’) diverse afgeleide betekenissen, waaronder ‘pin, spijker’, maar juist deze laatste betekenis is in het Noord-Franse taalgebied geheel onbekend.
Meestal neemt men aan dat pgm. *spīk- < ouder *speik- een uitbreiding is van een wortel *sp(e)i- ‘puntig zijn’. Daarvan zouden ook diverse andere woorden zijn afgeleid, zoals → specht, → spier, → spijl, → spit 1. Ook het hierboven genoemde Latijnse spīca ‘korenaar’ hoort hierbij, evenals spīna ‘doorn, prikkel’ (zie ook → spinet).
In het Middelnederlands was dit woord niet frequent. Gebruikelijker was het synoniem → nagel; in het BN is dat nog steeds het gewone woord.
spijkerbroek zn. ‘jeans’. Nnl. spijkerbroek [1953; Leeuwarder Courant]. Samenstelling van spijker en → broek 1. Genoemd naar de enigszins glimmende, op spijkerkoppen gelijkende hechtingen waarmee de naden bezet zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spijker1* [nagel] {spiker, spiecker, spijcker 1284} middelnederduits spiker, middelhoogduits spīcher, middelengels spike (engels spike), oudnoors spīkr; van dezelfde stam als spil, spit1; de betekenis is ‘puntig voorwerp’, buiten het germ. latijn spica [korenaar]. De uitdrukking spijkers op laag water zoeken [nietsbeduidende aanmerkingen maken] betekende eig. ‘de spijkers die de arbeiders van scheepstimmerwerven hebben laten vallen, bij het afgelopen water uit de modder vissen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spijker 1 znw. m. ‘nagel’, mnl. spīker m., mnd. spīker, mhd. spīcher (nhd. speichernagel); daarnaast oe. spīcing, van germ. *spīka afgeleid, vgl. on. spīkr ‘spijker’, spik v. ‘splinter’. — lit. speigliaĩ ‘stekels’ (IEW 981). — Uit de kortere vorm mnl. spike > ne. spike ‘spijker’ (sedert 1345-6, vgl. Bense 442).

De idg. wt. *sp(h)ēi ‘spits zijn’ vgl. oi. sphyá- m. ‘houtspaan, dunne lat, riem’ heeft verschillende afl. en wel:
met dentaal zie: spit en spies
met gutturaal zie: spie 2 en spijker
met l zie: spijl
met r zie: spier 1
met n zie: spil.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spijker I (nagel), mnl. spîker m. (veel gewoner is nāghel), Teuth. spijcker. = mhd. (md.) spîcher (nhd. speichernagel), mnd. spîker m. “spijker”. Met ags. spîcing m., on. spîkr (gen. spîks) m. “id.” (uit ’t Ngerm. eng. spike), spîk v. “houtsplinter” en ’t ablautende speek van een idg. basis spī̆g- “spits zijn”, waarvan ook lit. speigliaĩ “stekels”. Deze basis is evenals spī̆q- (zie spie II), spī̆d- (zie spit I) uit spī̆- verlengd (zie spijl). Zie nog specht, spichtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spijker 1 m. (nagel), Mnl. spiker + Mhd. spîcher, Eng. spike, On. spík en spíkr (Zw. spig, De. spiger): van denz. wortel als speek 1 en verder spit en spijl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1spyker s.nw.
Gepunte metaalpennetjie, met 'n plat of ronde kop, wat veral in hout ingeslaan word, gewoonlik om dele te heg of om iets daaraan te hang.
Uit Ndl. spijker (Mnl. spiker, spike). Eerste optekening in Afr. by Postma (1896) in die meervoudsvorm spykers.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

spijker: mager persoon. De gespierde spijker is de bijnaam van de Nederlandse schaatser Falco Zandstra. Ook van toepassing op andere magere sportlui. Zie verder nog aangeklede* spijker.

‘Grobbekuiken,’ wordt Zandstra liefkozend door z’n mede-ploegleden genoemd. Maar ook ‘Spijk’ of ‘Spijker’. ‘Dat is vanwege mijn dikke benen,’ zegt de schaatser die z’n rondjes draait op de meest dunne benen waarop zich ooit een schaatser heeft voortbewogen. (Nieuwe Revu, 16/01/1992)
Hard en duidelijk: een magere huisgenoot heet ‘de spijker’, een kalende ‘de badmuts’. (Vrij Nederland, 17/05/2003)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

spijker. In Maastricht kent men de vloek godgloeiende spijker!, die woede en verontwaardiging uitdrukt. Een vergelijkbare vloek is wat hamer!, waarin men een substituut ziet voor ‘duivel’. Men kan nu veronderstellen dat als duivel eenmaal vervangen was door een zelfstandig naamwoord, het hek van de dam was en er vervangingen van dezelfde soort volgden. Dus na het timmergereedschap hamer, de spijker.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spijker (ijzeren nagel) vermoedelijk afl. van den Germ. wt. spi (ouder: spik) = spits zijn (zie Spier, Spit en Spikkel). – Spijker (voorraadschuur) van ’t Lat. spicarium = bewaarplaats, van spica = korenaar; dit woord w.d.z.: korenschuur. – Spijkerbalsem heet naar den uitvinder Jan Spijker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spijker ‘nagel, gepunte metalen stift’ -> Engels † spiker ‘lange nagel’; Deens spiger ‘nagel, gepunte metalen stift’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spiker ‘nagel, gepunte metalen stift’; Frans dialect spégurlèt, spingurlèt, spigot ‘kleine spijker’; Russisch špígir' ‘grote, ijzeren nagel (aan een bark)’; Noord-Sotho sepekere ‘nagel, gepunte metalen stift’ ; Zoeloe sipikili ‘nagel, gepunte metalen stift’ ; Zuid-Sotho sepekere ‘nagel, gepunte metalen stift’ ; Shona chipikiri ‘nagel; afrodiasicum voor mannen’ ; Negerhollands spiker, spiku ‘nagel, gepunte metalen stift’; Berbice-Nederlands spigri ‘nagel, gepunte metalen stift’; Sranantongo spikri ‘nagel, gepunte metalen stift’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spijker* nagel 1284 [CG I2, 780]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

837. Zoo hard als een spijker (of een kei) zijn

d.w.z. gierig zijn; ook blut zijn, geldeloos zijn, arm zijn, afgebrand zijn (hd. abgebrannt sein), ook afgebrand zijn als een voetzoeker (o.a. Kalv. II, 74; 109). De uitdr. schijnt uit de 19de eeuw te dagteekenen; ze komt voor bij Harreb. II, 288; Ndl. Wdb. VI, 897; fri. sa hird as in spiker. In Zuid-Nederland zegt men hard van afgang zijn, eig. moeilijk afgaan, hardlijvig zijn, en overdr. moeilijk van zijn geld kunnen scheiden (Antw. Idiot. 1746; Teirl. II, 18). Waarschijnlijk zal deze overgang van beteekenis ook met onze zegswijze hebben plaats gehad. In het fr. être dur à la détente ou à la desserre, gierig zijn; ook het eng. hard, waarnaast hardness, beteekent gierig. (Aanv.) In de 17de eeuw beteekent het: zeer gezond, sterk zijn, tegen alle ongemakken bestand zijn; Ndl. Wdb. V, 2150; Halma, 599..

2123. Den spijker (of den nagel) op den kop (of het hoofd) slaan (of tikken),

d.w.z. de zaak juist treffen, juist zeggen waar het op aankomt, het juiste middel aangeven. In de 16de eeuw lezen we bij Campen, 122: ghy hebt den naegel lijck opt thoeft gheraeckt; bij Servilius, 11: ghi hebbet iuyst op zyn hooft gheraect; Sart. II, 1, 1: de spijcker op 't hooft slaen, scopum attingere; 5, 68: rem acu tetigisti, ghy hebt de nagel op 't hooft geslagen; Marnix, Byenc. 40 r: den spyker op 't hooft geslagen; Vondel, Rommelpot, str. 34: Marten, die het al gelooft, en de spijker raekt op 't hooft; Hooft, Brieven, 261; Ned. Hist. 123; Spaan, 168; Poirters, Mask. 166; Willem Leevend II, 229; V, 208; Haagsche reize, 190; Sewel, 745: Den spyker op 't hoofd slaan, to hit the nail on the head; to hit the mark; Adagia, 26: gy hebt den nagel op 't hooft geslaegen, rem acu tetigisti; enz. Zie Harrebomée I, 438 a; III, 265 b; 266 a; Afrik. hy slaat die spijker op die kop; Antw. Idiot. 1836: den nagel op den kop slagen, een doeltreffend antwoord geven; Joos, 105; Waasch Idiot. 364 en De Bo, 729 b. Vandaar ook op den kop (fri. op 'e kop ôf), in den zin van precies: een spijker moet net op den kop getroffen worden, wil hij ‘pakken’; Ndl. Wdb. XI, 246; Campen, 122: op den kop geraden; in het Overt. Praatje, 74: Sy raakt het effen op zijn kopje; Kluchtsp. 3, 230; zuidndl. op de kop, juist het getal, het bedrag (Teirl. II, 174; Antw. Idiot. 695); hd. den Nagel auf den Kopf treffen, vroeger ook den Keil auf den Kopf schlagenWander II, 1237; III, 863.; nederd. den Nagel up 'n Kopp drêpen (Eckart, 380); eng. to hit the nail on the head. In het Friesch: hy slacht de spiker op 'e kop.

2124. Hij slaat spijkers (of nagels) met koppen,

d.w.z. hij voert deugdelijke bewijsgronden aan of hij neemt afdoende maatregelen; spijkers met koppen immers houden lat of plank, waar ze in gedreven zijn, sterker, dan spijkers zonder koppen (Nav. XX, 264). De zegswijze komt in de 17de eeuw voor in de Klucht v.d. Pasquilmaecker, 21 (spijkers met hoofden slaan), en staat eveneens opgeteekend bij Tuinman I, 254: Men moet nagels met hoofden slaan, dat is, zaaken doen die vastigheid en klem hebben; nagels zonder hoofden hechten niet vast, en glippen door; Sewel, 745: Spykers met hoofden slaan, to speak to the purpose; in het Overt. Praatje, 52: Ik hoor dat hy soo al wat spykers slaat met hoofde, die niet door en glye. In V. Janus, 3, 326: Spijkers met koppen slaan; Harreb. I, 438; Krat. 102: Ik hou van spijkers met koppen; Falkl. VII, 68; De Arbeid, 5 Nov. 1913, p. 1 k. 1: De zeelieden waren het moe er nu nog langer over te kletsen en wilden spijkers met koppen slaan; Zoek. 132: We hebben niet lang neudig te proaten jonges, we mutten maar met de deure in huus vallen, spiekers met koppen sloan, heur; Afrik. spykers met koppe slaan; Waasch Idiot. 364: nagels met koppen slaan, doorslaande, treffend antwoorden; Antw. Idiot. 1836. Ook in het Nederd. Nagel mit Koppen maken, de partij door schriftelijke contracten verbinden (Eckart, 380; Taalgids V, 169); Ten Doornk. Koolm. III, 274: spikers mit koppen slân, eine haltbare und tüchtige arbeit liefern; in het Friesch: hy slacht spikers mei koppen.

2125. Spijkers op laag water zoeken,

d.w.z. vitten, onbeduidende gronden aanvoeren; ook: uitvluchten zoeken, zwarigheden of bezwaren zoeken, waar er geen kunnen zijn, de egge op den tas gaan zoeken (Waasch Idiot 644 a). In werkelijken zin worden bij laag water aan de scheepstimmerwerven de spijkertjes, die bij het timmeren gevallen zijn, opgezocht (zie M.z.A. 17); vandaar bij overdracht: naar kleinigheden zoeken, die bijna niet te vinden zijn, vitten; en ook: nietige uitvluchten zoeken, bedenken om iets te verbergen of te ontkomen, of zooals men vroeger zeide mnl. musselen in die gootkijns soken of dat haer int oge soken (zie Coninx Somme, blz. 627); het futselboek zoeken (De Bo, 316 a); het bijltje (met den langen steel) zoeken (Ndl. Wdb. II, 2619); knorven in de biezen zoeken (lat. in scirpo nodum quaerere; Hooft, Brieven, 445; Ndl. Wdb. II, 2554); een speld in een hooitas (of een voer hooi) zoeken (Schuerm., Bijv. 127 a); een haartje in de boter zoeken, redenen vinden om te vitten of om twist te maken; Ndl. Wdb. V, 1400Eene andere verklaring vindt men in het Tijdschrift XVIII, 136.. In Zuid-Nederland onbekend. In 't fri. in splinter-siker.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut