Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spieken - (afkijken, stiekem iets inzien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spieken ww. ‘afkijken, stiekem iets inzien’
Nnl. spieken ‘afkijken’ [ca. 1880; zie onder], ‘id.’ [1912; Sanders 2004, 121].
Ontleend aan het Duitse schooltaalwoord spicken ‘afkijken’, dat voornamelijk in zuidelijke dialecten voorkomt. Het woord is in ca. 1880 geïntroduceerd door Carl Sicherer (1807-1886), een uit Württemberg afkomstige leraar Duits in Leiden. Vanuit Leiden heeft het zich verbreid over Holland en de rest van ons taalgebied. Een en ander werd in 1912 in een onderwijskundig weekblad opgetekend door de leraar Duits Hendrik Kroes op basis van getuigenverslagen.
Duits spicken ‘afkijken’, uit algemener ‘heimelijk overschrijven, plagiaat plegen’ [1669; Kluge21], gevormd bij het zn. Spicker ‘plagiaatpleger, iemand die zijn geschriften doorspekt met andermans denkbeelden’ [1523; Pfeifer], dat zelf een overdrachtelijke afleiding is van het werkwoord spicken ‘larderen, met spek doorrijgen, spekken’ bij Speck ‘spek’, zie → spek 1. Mogelijk is het Duitse woord in de schooltaal beïnvloed door Latijn spicere ‘kijken’.
Lit.: Sanders 2004, 121-124

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spieken [afkijken] {1926-1950} < hoogduits spicken [spekken, larderen, vullen, (overdrachtelijk) afkijken], middelnederduits specken [met iets aanvullen], nederlands spekken, van spek2, tenzij het woord is ontleend aan latijn (con)spicere [(ergens heen) kijken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spieken ww. (schoolterm) ‘afkijken’, reeds in de 17de eeuw ‘plagiaat plegen’ < nhd. spicken eig. ‘met spekjes doorrijgen’, dan ook ‘met gestolen gedachten zijn werk opsieren’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† spieken ww. Uit hd. spicken (bij spek; zie † spekken Suppl.), dat reeds in de 17e eeuw in de bet. ‘plagiaat plegen’ voorkomt.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spieken (Duits spicken)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spieken ‘afkijken’ -> Duits spicken ‘valsspelen, afkijken’; Menadonees baspik ‘afkijken’; Papiaments spik ‘afkijken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spieken afkijken 1934 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut