Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spiegel - (beelden terugkaatsend voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spiegel zn. ‘beelden terugkaatsend voorwerp’
Onl. spêgal ‘spiegel’ [951-1000; CG II-1, 115]; mnl. spigel ‘beelden terugkaatsend voorwerp’ [1240; Bern.], spigel ‘voorbeeld’ in So was dat hus van haffelghem Exempel ende spigel ‘zo was het huis van Affligem (een) voorbeeld’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. spiegel ‘vlak gedeelte boven de achtersteven van een schip’ [1659; iWNT].
Ontleend aan de middeleeuws-Latijnse nevenvorm speglum van klassiek Latijn speculum ‘spiegel’, dat is afgeleid van het ww. specere ‘zien, bekijken’, verwant met → spieden.
De betekenis in de scheepsbouw berust wrsch. op associatie met een rijkversierde spiegelomlijsting.
spiegelei zn. ‘gebakken ei met hele dooier’. Nnl. Spiegel-Eyeren (mv.) [1701; iWNT], spiegelei ‘stopbord met handvat’ in als de schoolbrigadiertjes ... hun spiegeleieren ten hemel heffen [1955; iWNT klaar III]. Leenvertaling van Frans œuf au miroir ‘id.’ [1680; Rey]. De ronde stopborden van de verkeersbrigadiers en vroeger van perronchefs worden schertsend zo genoemd vanwege hun vorm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spiegel [beelden terugkaatsend voorwerp] {spiegel, spegel 1201-1250} < middeleeuws latijn speglum < latijn speculum, van specere [kijken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spiegel znw. m., mnl. spieghel, mnd. spẽgel, speigel, speil (> on. spegill), ohd. spiagal (nhd. spiegel), ofri. spēgel. — Uit mlat. spēglum (evenals ital. speglio) < lat. speculum. Het woord moet wegens de overgang van ê > ie reeds vroeg zijn ontleend (evenals brief en pieterselie).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spiegel m., Mnl. spieghel, speghel, gelijk Hgd. spiegel, uit Lat. speculum, een afleid. van specere: z. spieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1spieël s.nw.
1. Gepoleerde voorwerp van glas of metaal wat lig weerkaats. 2. Gladde, blinkende oppervlak. 3. Glansende plek op die vere van voëls.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. spiegel (1598 in bet. 1, 1862 in bet. 2). Bet. 3 is 'n leenbetekenis van Eng. mirror (1903). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm spiil.
D. Spiegel (9de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spiegel: Indiaanse spiegel (de, -s), (hist.) onbekend voorwerp. () persoonen die alhier aan Paramaribo een commenij of zogenaamde vettewariers* winkel houden, alwaar alle waeren van slaven als soute vlees, spek bij kleyne gewigt, soute en gedroogde vis, tobaks pijpen, messen, coralen, indiaanse spiegels, zogenaamde camiesjes*, paantjes* en meer andere goederen voor slaven en slavinnen te bekomen zijn () (plak. van 1761; S&dS 708). - Etym.: Oudste vindpl. plak van 1745 (S&dS 528).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spiegel (Latijn speglum)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

spiegeltje Aangedragen door iemand uit Ridderkerk. ‘Jaren geleden op de bridgeclub nam ik een dubbele borrel, in een wijnglas. Maar zoiets bestellen is niet goed voor je reputatie. En bovendien moet het in een groter glas. Het werd een soort wijnglas en het codewoord werd spiegeltje, van nachtspiegel: een (relatief) kleine plas in een groot reservoir.’ Onlangs is deze borrelnaam ook in Limburg gehoord. Of hij om dezelfde reden zo genoemd wordt, is niet bekend.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spiegel, van ’t Lat. speculum (zie Spieden); in ’t Mnl: spegel: „Neem Christus’ leven tot eenen spegele. Vandaar: speculatieve of bespiegelende wijsbegeerte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spiegel ‘beelden terugkaatsend voorwerp; achtersteven’ -> Deens spejl ‘beelden terugkaatsend voorwerp; achterplaat van een schip die meestal versierd is’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors speil ‘beelden terugkaatsend voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spegel ‘beelden terugkaatsend voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (s)peili ‘beelden terugkaatsend voorwerp; achtersteven’ ; Fins ahterpeili, peili ‘achtersteven’ ; Ests peegel ‘beelden terugkaatsend voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch špígel' ‘onderkant van een kartetslading of scherpe patroon; achterkant van een schip boven het roer’; Creools-Portugees (Batavia) spiegeloe, spiglo ‘beelden terugkaatsend voorwerp’; Negerhollands spiegel, spigǝl ‘beelden terugkaatsend voorwerp’;? Papiaments spil (ouder: spiel) ‘beelden terugkaatsend voorwerp’ (uit Nederlands of Portugees); Sranantongo spigri ‘beelden terugkaatsend voorwerp’; Aucaans sipikii ‘beelden terugkaatsend voorwerp’; Saramakkaans sipéi, sipé ‘beelden terugkaatsend voorwerp’; Karaïbisch supukili ‘beelden terugkaatsend voorwerp’; Warau mu-sebihi ‘beelden terugkaatsend voorwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spiegel beelden terugkaatsend voorwerp 1240 [Bern.] <ME Latijn

Hosted by Meertens Instituut