Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

speer - (wapen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

speer zn. ‘steekwapen’
Mnl. ant iseren van úwen spere ‘aan de punt van uw speer’ [1220-40; VMNW], dat heme een speer wart gesteken dor sin borst ‘dat hem een speer door zijn borst werd gestoken’ [1290-1310; MNW-P].
Os. sper (mnd. spēr(e)); ohd. sper (nhd. Speer); ofri. sper(e); oe. spere (ne. spear); on. (mv.) spjör; alle ‘steekwapen’, < pgm. *speri- ‘speer’.
Ablautend verwant met → spar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

speer1* [wapen] {sper(r)e, spe(e)r 1220-1240} oudsaksisch, oudhoogduits sper, oudfries, oudengels spere, oudnoors spjǫrr; verwant met spar1 [balk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

speer znw. v., mnl. spēre m. v. o., os. ohd. sper (nhd. speer), ofri. spere, spiri, oe. spere (ne. spear), on. spjǫr, spǫrr, sparr ‘speer’. — Zie verder: spar 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

speer znw., mnl. spēre o. m. v. = ohd., os. spër o. (nhd. speer m.), ofri. spere, spiri, ags. spere (eng. spear), on. spjǫr (spjǫrr, spǫrr, sparr) o. “speer”. Zie verder bij spar I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

speer v., Mnl. spere, Os. sper + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. speer), Ags. spere (Eng. spear), Ofri. spere, On. spjor (Zw. spärr, De. spær) + Lat. sparus = jachtspriet, verder spar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

speer ‘steekwapen’ -> Papiaments sper ‘steekwapen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

speer* steekwapen 1220-1240 [CG II1 Aiol]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

speer: als een —, informeel voor ‘razendsnel’. Oorspronkelijk (begin jaren tachtig) vooral jeugdtaal; nu meer algemeen ingeburgerd.

Deelders optreden was weinig succesvol. Hij kwam op in een smetteloos wit kostuum. Hij ging als een speer. (Haagse Post, 28/06/86)
Reageer dus als een speer. (Popfoto, april 1988)
... en in Engeland gaan ze als een speer (hun single ‘I want to be your property’ kwam daar in de top 20. (Muziek Express, februari 1988)
Nou ja, de markt van de bedrijfsjournaals en andere interne commerciële filmpjes groeit, dat loopt echt als een speer. (Avenue, juli 1988)
Toen dachten we: als we d’r ietsje meer een pianootje ingooien, beetje lekkerder in het gehoor, dan bereiken we misschien wel een grotere doelgroep. Nah, en toen ging ‘Wonderfull Days’ helemaal als een speer. (Nieuwe Revu, 11/12/96)
Sinds minister Van Aartsen heel Brabant in een vervoersverbod kluisterde en vervolgens zijn Herodes-beleid onthulde om biggen zo snel mogelijk na de geboorte te vernietigen, schiet de prijs van een kilo levend varken als een speer omhoog: vijftien cent per dag. (De Volkskrant, 18/04/97)
een — van een plaat, film, enz., een erg goede of leuke plaat, film etnz. Jeugdtaal.
‘Introducing the Hardline according to TT’A’ is een speer van een elpee. (Muziek Express, oktober 1987)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut