Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spectrum - (reeks frequenties van een golfverschijnsel; scala)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spectrum zn. ‘reeks frequenties van een golfverschijnsel; scala’
Nnl. spectrum ‘reeks frequenties van elektromagnetische straling (zichtbaar in de vorm van kleurbanden of -lijnen)’ in het rigten van den spiegel naar een bepaald gedeelte van het spectrum [1850; Harting], in het spectrum een donkere streep [1865; WNT Aanv.], overdrachtelijk ook ‘reeks verschillende maar binnen dezelfde categorie behorende zaken, scala’ in het spectrum der geloofsovertuigingen binnen het christendom [1974; Koenen].
Internationale wetenschappelijke term, ontleend aan Latijn spectrum ‘uiterlijk, beeld’, en ‘buitenlaag van een beeld’, een afleiding van het ww. specere ‘zien, kijken’, verwant met → spieden.
Het woord is in de fysica geïntroduceerd in het Engels in of voor 1671 [OED] door de Britse natuurkundige Isaac Newton (1642-1727), de grondlegger van de theorie van licht als golfverschijnsel. Hij duidde er de kleurenwaaier mee aan waarin het zonlicht gebroken wordt door een glazen prisma.
Lit.: Aantekeningen van het verhandelde in de sectievergaderingen van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, 1853-54, Utrecht 1854, p. 72-74; P. Harting, Het Mikroskoop, III, 1850, 358

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spectrum [kleurenband, scala] {1858} < latijn spectrum [beeld, voorstelling, verschijning, schaduwbeeld], van spectare [beschouwen], intensivum van specere [kijken] (vgl. speciaal).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spectrum (Latijn spectrum)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Spectrum (Lat.; = beeld, voorstelling; plur. spectra). Lichtband van kleuren die ontstaat als een bundel wit licht door een prisma wordt gebroken. Ook spreekt men van Röntgen-spectrum, acoustisch spectrum, etc., in het algemeen: als een gecompliceerd trillingsverschijnsel in zijn componenten wordt gesplitst.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Spectrum (Lat.; = beeld, voorstelling; plur. spéctra; spécere = naar iets zien). Kleurenband die ontstaat als een bundel wit licht door een prisma in zijn componenten wordt gesplitst. In het algemeen spreekt men van spectra als een gecompliceerd trillingsverschijnsel in zijn componenten wordt gesplitst; b.v. acoustisch- of Röntgenspectrum. Ook bedoelt men met spectrum wel de verzameling van de in een of andere straling voorkomende frequenties met de bijbehorende intensiteiten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spectrum ‘kleurenband, scala’ -> Indonesisch spéktrum ‘kleurenband, scala’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spectrum kleurenband, scala 1858 [WNT wandelend] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut