Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

specie - (gietmengsel; muntgeld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

specie zn. ‘gietmengsel; muntgeld’
MNl. specie ‘specerij’ in na der maeltijt (kwam) dat clareit, die diere specie ende dat cruut ‘na de maaltijd kwamen de rode wijn, dure specerijen en kruiden’ [1350; MNW], ‘soort’ in Electrum (messing) es ... ene spise (ook: specie) [ca. 1375; MNW]; Vnnl. specie ‘muntgeld’ in betaelt worden mette specien ‘betaald worden in munten’ [1586; WNT], ‘stof, grondstof, materiaal’ in Ten ware dat opden zelven waghen ... waren eenige specien ‘tenzij op die wagen materialen lagen’ [1610; WNT], materialen ofte specien [1661; WNT]; nnl. specie ook ‘ruw materiaal, gietmengsel, materiaal waarmee men metselt’ in de wegen te verhoogen ... met daarvoor geschikte specie [1854; Archief Eemland], dat de voegen, ten gevolge van het krimpen der specie, reeds loszitten [1908; WNT].
Ontleend aan Latijn speciēs ‘voorkomen, aanblik; soort’, verwant met het ww. specere ‘zien, kijken’, verwant met → spieden. De betekenis is wrsch. verschoven van ‘soort’ naar ‘stof, grondstof’ en heeft vervolgens enkele specifieke betekenissen gekregen, zoals ‘gemengde stof waarmee men metselt’ en ‘muntsoort’, vanwaar ‘muntgeld’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

specie [muntgeld] {1631-1634, vgl. specie [voortbrengselen (in tegenstelling tot de waarde ervan in geld)] 1384-1407} < latijn species [soort] (vgl. speciaal).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

specerij znw., mnl. specerîe, specierîe v. = mhd. spëzerîe, spëcierîe (nhd. spezerei), mnd. specerîe, spisserîe v. (> laat-on. spîzari o.) “specerij”. Uit ofr. espeserie (fr. épicerie), it. spezieria “id.”. Dit is een afl. van later-lat. speciês, it. spezie, ofr. espec(i)e, fr. épice “id.”, waarop mhd. spëcie, mnl. spēcie v. “id.”, eng. spice, on. spîz o. “id.” teruggaan. Dit lat. speciês = speciês “soort”. Evenzoo mlat. speciês “munt, muntsoort”, waaruit nnl. specie “klinkende munt” Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

specie v., uit Lat. speciem: z. specerij.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

spesie s.nw.
1. Soort. 2. Afdeling van verwante plante en diere, onderliggend aan die genus. 3. Mengsel waaruit iets gegiet of gepers word. 4. Gemunte geld.
Uit Eng. species (1551 in bet. 1 en 2, 1601 in bet. 3, 1618 in bet. 4).
D. Spezies (14de eeu), Fr. espèce (12de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spe’cie (de), (scholierentaal) geld. - Etym.: In AN is s. een formele term uit het geldwezen en betekent ’gemunt geld’ (i.t.t. papiergeld). - Syn. spek*, vel*. Zie ook: blad* (1. 2).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

specie (Latijn species)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

specie ‘pleisterkalk’ -> Duits dialect Spêzi ‘pleisterkalk’; Indonesisch spési ‘pleisterkalk’; Menadonees spèsi ‘pleisterkalk’; Sranantongo speisi ‘pleisterkalk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

specie muntgeld 1621 [De Jonge IV, 252] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut