Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

specerij - (smaakgevende stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

specerij zn. ‘smaakgevende stof’
Mnl. specerie ‘winkel in kruiderijen, apothekerswaren enz.’ [ca. 1330; MNW], ‘kruiderij, specerij’ in poedere ofte specerye omme in de spyse te bezeghene ‘poeder of specerij om in het eten te gebruiken’ [1427; MNW], ‘apothekerswaar, zoetigheid’ in also men inder apteken honich besicht tot alrehande specerie ‘zoals men in de apotheek honing gebruikt voor (het maken van) allerlei siroopjes’ [1484; MNW]; vnnl. specerij [1573; Thes.].
Ontleend aan Oudfrans espicerie ‘specerijen, kruiderijen’ [1248; TLF], ook ‘opslag- en verkooppunt van kruiderijen’ [1249-85; TLF] (Nieuwfrans épicerie ‘specerijen; kruidenierswinkel’), een afleiding van espices (mv.) ‘gesuikerde lekkernijen’ [1245; TLF], eerder al ‘aromatische stoffen, specerijen’ [ca. 1140; TLF] (Nieuwfrans épices ‘specerijen’), een geleerde ontlening aan Laatlatijn species (mv.) ‘goederen, etenswaren, specerijen’, klassiek Latijn speciēs ‘soort, type’, oorspronkelijk ‘uiterlijke verschijning’, een afleiding van het ww. specere ‘zien, kijken’, verwant met → spieden.
Al eerder in het Middelnederlands bestond ook de vorm specie ‘specerij, welriekende stof’ [1265-70; VMNW], (zie → specie), die in die betekenis nog is blijven bestaan tot in het Vroegnieuwnederlands (WNT). Die vorm was ontleend aan de oudere Franse vorm espices ‘gesuikerde lekkernijen, aromatische stoffen’ (zie hierboven) en deze vorm heeft wrsch. een rol gespeeld bij het ontstaan van de betekenis ‘zoete vulling’ van het woord → spijs.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

specerij [smaakgevende stof, kruid] {specerie 1351} < oudfrans especerie [idem] < middeleeuws latijn species, speceria, spiceria [koopwaar, kruidenierswaren, kruiderijen] < latijn species [het zien, aanblik, uiterlijk, soort], verwant met specere [zien].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

specerij znw. v., mnl. specierîe, specerîe v., mnd. specerīe, spisserīe (> laat-on. spīzari), mhd. spezerīe, specierīe (nhd. spezerei), ten dele over ofra. espeserie (nfra. épicerie) < ital. spezieria, een afl. van laat-lat. species ‘kruiderij’ (> ital. spezie, ofra. especie. espece, nfra. épice, waaruit weer mnl. spēcie, mhd. specie, ne. spice, on. spīz). Dit species is hetzelfde als lat. species ‘soort’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

specerij znw., mnl. specerîe, specierîe v. = mhd. spëzerîe, spëcierîe (nhd. spezerei), mnd. specerîe, spisserîe v. (> laat-on. spîzari o.) “specerij”. Uit ofr. espeserie (fr. épicerie), it. spezieria “id.”. Dit is een afl. van later-lat. speciês, it. spezie, ofr. espec(i)e, fr. épice “id.”, waarop mhd. spëcie, mnl. spēcie v. “id.”, eng. spice, on. spîz o. “id.” teruggaan. Dit lat. speciês = speciês “soort”. Evenzoo mlat. speciês “munt, muntsoort”, waaruit nnl. specie “klinkende munt” Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

specerij v., gelijk Hgd. spezerei, uit Ofra. espeserie (Nfra. épicerie), It. spezieria, afgel. van It. spezie (Fr. épice), van Lat. speciem (-ies) = aanblik, aard, soort, van specere: z. spieden. In het Mlat. werd species in verschillende staande uitdrukkingen met adj. gebruikt (cf. Fr. espèces sensibles, végétales, aromatiques, métalliques, enz.) en dan kan het alleenstaande species de bet. van die verschillende uitdrukkingen hebben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

spesery s.nw.
Kruidagtige stof wat smaak aan kos gee.
Uit Ndl. specerij (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. specerij uit Oudfrans espeserie (1248) (Fr. épicerie), 'n afleiding van Fr. épice (ongeveer 1150) uit Latyn species, speceria, spiceria 'kruideniersware, kruidery', eintlik 'soort', later ook 'spesery'.
Vgl. spesie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

specerij (Oudfrans espeserie)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

specerij ‘smaakgevende stof, kruid’ -> Negerhollands specery ‘smaakgevende stof, kruid’; Papiaments speserei (ouder: specerij) ‘smaakgevende stof, kruid’; Sranantongo spesrei ‘smaakgevende stof, kruid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

specerij smaakgevende stof, kruid 1330 [Jacobs 22] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut