Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spatten - (in kleine deeltjes (doen) rondvliegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spat 1 zn. ‘klein springend vochtdeeltje’
Mnl. spat ‘blaaspijp, proppenschieter’ in dat hoore kinderen ... mit gheenen steenen warpen noch mit spatten schieten [1413; MNW]; vnnl. Spatten oft buysen, daer sy cleyne dunne pijltgiens uytblasen van riet ‘blaaspijpen of buizen, waar ze kleine dunne rieten pijltjes uitblazen’ [1598; iWNT], spat ‘buis’ [1599; Kil.], spat ‘projectiel uit zo'n buis’ in Spatten, die sy de spitse punten een weynigh branden ‘blaaspijlen, waarvan ze de scherpe punten enigszins verhitten’ [1676; iWNT]; nnl. spat, spatje “vlak van vuil water of slyk” [1701; Marin], wanneer dit watervlies uitgaet, of in spatjes zig verbryzelt ‘... uiteenspat’ [1757; iWNT verbrijzelen].
Het woord is uitsluitend Nederlands. In de oudste betekenis ‘blaaspijp’ wrsch. een klanknabootsend woord. De pas in het Nieuwnederlands aangetroffen betekenis ‘spetter’ is wrsch. opnieuw afgeleid van het werkwoord spatten ‘in kleine deeltjes (doen) opspringen’, zie onder.
De oudste betekenis van het woord is ‘blaaspijp’, met vindplaatsen tot aan het begin van de 19e eeuw (iWNT).
spatten ww. ‘in kleine deeltjes (doen) wegspringen’. Vnnl. spatten ‘met een blaaspijp schieten’ in in de boomen ... te werpen, spatten ‘(projectielen) in de bomen te gooien of met een blaaspijp te schieten’ [1612; iWNT vogel], ‘in kleine deeltjes wegspringen of doen opspringen’ in spat Witte melck op 't aengesichje Van het ... wichje ‘(zij) spettert witte melk op het gezichtje van het meisje’ [1621; iWNT daarmede], het siltigh swabbel-nat (‘zeewater’), Dat heel hooge op-waert spat [1623; iWNT zwabbelen], open maeken ... zonder 't vat aen dujghen te doen spatten [1639; iWNT]. In de oudste betekenis ‘met een blaaspijp schieten’ wrsch. een afleiding van het zn. spat ‘blaaspijp’, zie boven. Bij uitbreiding kon hierbij de huidige betekenis ‘spetteren’ ontstaan. ♦ spetteren ww. ‘spatten’. Nnl. De zaadhuisjes van zekere planten spetteren open als zij rijp zijn [1873; iWNT openspatten], tssh, tssh spetteren ze (de golven) [1899; Gids]. Frequentatief van spatten. Ook wel spetten in Het spettend hartebloed [1882; Gids]. ♦ spetter zn. ‘spat’. Nnl. spetters en druppels [1904; Gids]. Afleiding van spetteren. ♦ spatteren ww. ‘spatten’. Nnl. plasschend door de modder dat 't spatterde [1903; iWNT modder]. Nevenvorm van spetteren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spatten* [in kleine deeltjes (doen) rondvliegen] {1599-1607 in de betekenis ‘met een blaaspijp schieten’; de huidige betekenis 1642, vgl. bespatten 1360} middelnederduits spatten, fries spatte, engels to spatter, ontstaan naast spetten, spetteren, sputteren, samenhangend met spuiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spatten ww., mnl. bespatten, mnd. spatten, fri. spatte waar naast fri. spatteren, ne. spatter en nnl. spetteren, sputteren. De laatste vorm wijst ons de weg: klaarblijkelijk gaat deze woordengroep, die stellig relatief jong is, van spuiten uit; de klinkervarianten en de -tt- wijzen op het affectieve karakter van het woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spatten ww., niet bij Kil., mnl. in de samenst. be-spatten. Een ook ndd., fri. ww. Vgl. ook eng. to spatter “spatten, bespatten”. De combinatie met gr. sphadázō “ik spartel”, sphedanós, sphodrós “heftig, onstuimig”, sphendónē “slinger”, oi. spandate, -ti “hij maakt een trekkende beweging” (hierbij ook lat. pendeo “ik hang”? Zie echter spannen; en ags. finta m. “staart, gevolg”??) is mogelijk; de idg. basis was dan sp(h)e(n)d-. Maar waarschijnlijker is het, dat spatten een jong woord is, eventueel onder invloed van andere woorden (de groep van spuiten? spartelen?) ontstaan. Zie spat I, spat II, spat III.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spatten ono.w., + Eng. to spatter: onomat. nevens spuiten. Hierbij spat = roer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1spat ww.
1. In druppels of deeltjies op- of wegspring. 2. Vlug, padgee, wyk.
Uit Ndl. spatten (al Mnl. in bet. 1, 1648 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Eng. spatter (1582).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spatten ‘in kleine deeltjes (doen) rondvliegen’ -> Papiaments spat, (Ar.) spart ‘in kleine deeltjes (doen) rondvliegen; verbrassen (van geld); lichtjes neerkomen (van de regen)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spatten* in kleine deeltjes (doen) rondvliegen 1642 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut