Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sparen - (ontzien, zuinig omgaan met, bewaren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sparen ww. ‘ontzien, zuinig omgaan met, bewaren’
Mnl. sparen ‘ontzien, zuinig omgaan met’ [1240; Bern.], in Dat man noch wijf en hef gespart ‘die mannen noch vrouwen heeft ontzien’, Daertoe ne sparet noch verdrit Noch ongemac ‘bespaar daarom geen verdriet of ongemak’ [beide 1265-70; VMNW], Dat man gespart heuet mit groten pinen dat huotman alrebest ‘wat men met veel moeite heeft bijeengebracht, dat beschermt men het allerbest’ [1270-90; VMNW]; vnnl. sparen ook ‘geld bewaren’ in Jnden spaerspot tghelt stekende [1511; iWNT spaarpot], Sy en connen niet sparen, maer wat gewonnen hebbende so moet het stracks verteert zijn ‘ze zijn niet in staat te sparen, maar als ze iets hebben verdiend dan moet het meteen worden uitgegeven’ [1602; iWNT].
Os. sparon (mnd. sparen); ohd. sparēn, sparōn (nhd. sparen); ofri. sparia (nfri. sparje); oe. sparian (ne. spare); on. spara (nzw. spara); alle ‘behoeden, bewaren, ontzien, zuinig zijn, opzijleggen, van zich afschuiven e.d.’, < pgm. *sparēn-, *sparōn-. Een vroege indirecte vindplaats is vulgair Latijn (Reichenauer glossen) non sparniauit ‘hij heeft niet (= niets/niemand) ontzien’ [8e eeuw; ONW], vanwaar Oudfrans esparigner ‘sparen, ontzien’ (Nieuwfrans épargner). De -gn- in de uitgang wijst op een Frankische vorm *spar(a)njan, waarvan de uitgang moeilijk te verklaren is: misschien door analogiewerking van *waidanjan ‘hoeden, weiden’ (waaruit Frans gagner ‘verdienen’), zie FEW 17, 468, noot 25.
Daarnaast staan de volgende bn.: mnl. spaer; mnd. spar-lik; ohd. spar; oe. spær (ne. spare); on. sparr (nzw. spar); alle ‘zuinig, spaarzaam’, < pgm. *spara-.
Hoewel meestal wordt aangenomen dat de werkwoorden zijn afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord, is volgens Heidermanns (1993, 531-532) het omgekeerde het geval, aangezien de bijvoeglijke naamwoorden jonger zijn en aanvankelijk vooral als bijwoord of in bijwoordelijke afleidingen voorkomen; bovendien lijkt de werkwoordsbetekenis ‘zuinig zijn’ (uit ‘behoeden, bewaren’) secundair te zijn.
Verdere herkomst onzeker. Wat de vorm betreft, lijkt pgm. *spar- uitstekend te verbinden met pie. *sph1-ro- ‘voorspoedig, gunstig, overvloedig’ (Latijn pro-sperus ‘gunstig’, Sanskrit sphirá- ‘dik’, Oudkerkslavisch sporŭ ‘overvloedig’), maar de betekenissen wijken nogal van elkaar af. Misschien hoort pgm. *spar- bij de wortel pie. *sper- ‘bevrijden, redden’ (LIV 579) van Sanskrit spṛṇóti ‘id.’.
De oorspr. betekenis in het Nederlands is ‘ontzien’, met in het Middelnederlands vele afgeleide betekenissen en betekenisnuances die deels nog steeds bestaan, deels verouderd zijn en deels zijn overgegaan op de afleiding besparen. Via ‘zuinig omgaan met’ ontstond hieruit in het Vroegnieuwnederlands de specifieke betekenis ‘geld (laten) bewaren’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sparen* [bewaren] {1201-1250} oudsaksisch sparon [uitstellen], oudhoogduits sparon, oudfries sparia, oudengels sparian, oudnoors spara, van een bn. oudhoogduits spar, oudengels spær (engels spare [zuinig]); buiten het germ. oudkerkslavisch sporŭ [overvloedig]; van dezelfde stam als spoed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sparen ww. mnl. spāren ‘sparen, ontzien, vermijden, nalaten, uitstellen, talmen’, os. sparon ‘uitstellen’, ohd. sparēn, sparōn ‘sparen, ontzien, behoeden’ (nhd. sparen), ofri. sparia ‘sparen, ontzien’, oe. sparian (ne. spare), on. spara ‘sparen, ontzien’. — Afl. van het bnw. ohd. spar, oe. spær ‘karig’, on. sparr ‘spaarzaam, karig’. — osl. sporŭ ‘toereikend’, oi. sphirá- ‘vast’, arm. pcartcam ‘rijkelijk’.

De bet. der idg. woorden stemt overeen met de wel verwante woorden osl. spěją, spěti ‘succes hebben’, lett. spẽju, spẽt ‘vermogen, kunnen’, lit. speju, spěti ‘tijd hebben’ en behoren dus tot de groep van spoed (IEW 983).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sparen ww., mnl. spāren “sparen, ontzien, vermijden, nalaten, uitstellen, talmen”. = ohd. sparên, sparôn “sparen, ontzien, behoeden” (nhd. sparen), os. sparon “differre”, ofri. sparia “sparen, ontzien”, ags. sparian (eng. to spare), on. spara “id.”. Van het bnw. ohd. spar, ags. spær “karig”, on. sparr “spaarzaam, gespaard wordend”. Wsch. is dit identisch met ksl. sporŭ “rijkelijk” (vgl. voor de bet. ook de afl. čech. spořiti “doen vermeerderen, sparen”), oi. sphirá- “vet” of “rijkelijk” (wsch. niet lat. prosper “voorspoedig”). De idg. grondvorm was *sphǝ-ro-, een afl. der bij spade II, spoed besproken basis, met de bet. “voor langen tijd toereikend, zich uitdijend”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sparen o.w., Mnl. id., Os. sparon + Hgd. sparen, Eng. to spare, On. spara (Zw. id., De. spare): denomin. van een adj. *spaar (nog over in spaarzaam) + Ohd. spar, Ags. spær, On. sparr + Gr. sparnós = zelden, Lat. parcere (d.i. *sparcere) = sparen, parvus = klein, Osl. sporŭ = spaarzaam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

spaore (ww.) sparen; Vreugmiddelnederlands sparen <1240>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Spaar ww. Segsw.: Wat jy spaar vir die mond, is goed vir die kat en die hond. – Reeds gewoon 17de eeus (sien die verwysinge by Harreb. I, 322) en nog bekend in tal van Ndl. dialekte, b.v. Ter Laan 948, Corn. en Vervl. 626, Joos 329, Rutten 108, Tuerlinckx 577, Eckart 195: Wat men heget voor den Mund, dat fret Kattte und Hund. G.G.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sparen, een afl. op r van den Skr. wt. spha = toenemen. Zie spoeden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sparen ‘bewaren’ -> Frans épargner ‘geld opzij leggen’ Frankisch; Negerhollands spaar, spaer ‘bewaren, niet alles geven (bijv. kracht)’; Papiaments spar (ouder: spaar) ‘geld opzij leggen, bewaren, besparen’; Sranantongo spar ‘bewaren’; Surinaams-Javaans separ, nyepar ‘(iets) sparen, iets op spaar zetten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sparen* bewaren 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2329. Lang vasten is geen brood sparen,

uitstel is geen afstel (omdat men na het vasten des te meer eet). Vgl. Campen, 69: lange vasten is ghien broodt sparen; V.d. Venne, 240: Langh vasten is gheen Broot sparen; Tuinman II, 35; Brieven v.B. Wolff, 146: Lang vasten is by my geen broodspaaren, en nu doe ik dien kerfstok eens in eenen af; Harreb. I, 97 a; Ndl. Wdb. III, 1541; fri. lang fêstjen is gjin brea sparjen; oostfri. lank fasten is gên brôd sparen; hd. Fasten (oder lange hungern) is nicht Brot sparen (Wander I, 937); fr. double jeûne, double morceau (verouderd).

1235. De kool en de geit sparen,

d.w.z. beide partijen tevreden stellen; fr. ménager (ou sauver) la chèvre et le chou, ménager les personnes, les partis dont les intérêts sont opposésCette expression est fondée sur un problème que l'on donnait à résoudre aux enfants: un homme va traverser un fleuve; il doit, en trois fois, passer d'un bord à l'autre, un loup, une chèvre, un chou. Si le loup et la chèvre, si la chèvre et le chou se trouvent ensemble et seuls pendant l'un des voyages du batelier, le loup mangera la chèvre ou la chèvre mangera le chou: c'est ce quil s'agit d'éviter. Solution. - L'homme doit passer: 1e la chèvre; 2e le chou, mais il ne le débarquera pas, et le gardera dans son bateau; 36 le loup, qu'il débarquera avec le chou (L. Martel, Petit recueil des Proverbes français, p. 59; Paris, Garniers Frères).. Vgl. Nkr. III, 7 Febr. p. 4:

De kunst was om listig te sparen
De kool, maar vooral ook de geit;
De arbeiders moest ik wel paaien,
De werkgevers moesten gevleid.

Nkr. V, 20 Mei p. 4: De kunst is immers om de kool en ook de geit te sparen; Het Volk, 13 Mei 1914, p. 1 k. 4: Zóó worden ambtelijk en ministerieel de kool en de geit gespaard; Haagsche Post, 4 Dec. 1920 p. 1961 k. 3: Engeland tracht zoowel de Grieksche geit als de Turksche kool te ontzien, wil beiden tot vriend - en tot klant houden.

2110. Die wat spaart, die wat heeft.

Deze gedachte vinden we in de litteratuur der 16de eeuw in Prov. Ser. 14: Die wat holt, heeft wat; voor later tijd vgl. Hooft, Warenar, 557: Die wat spaert, die wat het; Brederoo, Moortje, 2889: Neen, ick gheeffer niet een mijt so ten eersten een duyt; t is een kostelijcken tydt: die wat spaart, die wat het; Tuinman II, 38: Die wat spaart heeft wat en zooveel men spaart, heeft men; Harreb. III, 213; Zuidndl. sparen is 'en goei rent; nd. de wat heegt, de hett wat; spar wat, hett wat; hd. Sparen ist ein groszer Zoll; Sparen bringt Haben; fr. qui épargne, gagne.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut