Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spar - (spant; boomsoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spar zn. ‘naaldboom van het geslacht Picea, spant’
Mnl. spar, sparre ‘spant, lange dunne paal, lat’ in uan deme hús si aue namen. die sparen die uon bequamen ‘van diens huis haalden ze de spanten af die hun geschikt leken’ [1220-40; VMNW], ene spar te enen slotele ‘een balk ter afsluiting’ [1286; VMNW], .iiij. sparre van .xxx. uoeten ‘vier balken van 30 voet’ [1297; VMNW]; vnnl. het lof Van spar, en eyke boom ‘het groen van spar en eikenboom’ [1655; Meyster].
Os. sparro (mnd. sparre); ohd. sparro (nhd. Sparren); ofri. spēr (nfri. spjir(re) ‘spar’) me. sparr (ne. spar); on. sparri (nno., nde., nzw. sparre); alle ‘balk, paal’; < pgm. *sparrōn- ‘balk, paal’. Zie ook de afleiding → sperren.
Ablautend verwant met → speer, en buiten het Germaans met: Latijn sparus ‘korte speer’; Albanees shpardh ‘soort eik’; < pie. *sprH-, *sperH-. Verwantschap met Grieks spáros ‘soort zeebrasem’ is onwaarschijnlijk, evenals verwantschap met Litouws spỹris ‘sport van een ladder’. Misschien een leenwoord uit een voor-Indo-Europese taal (De Vaan 2008).
De oorspr. betekenis is ‘balk, paal’. Als boomnaam is het woord uitsluitend Nederlands en Fries. Deze betekenis is wrsch. ontstaan omdat de spar zeer geschikt is voor het vervaardigen van palen en balken.
Lit.: E. Meyster (1655), Hemelsch land-spel, Amsterdam, 8

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spar1* [staak] {spar(re), sperre [lange dunne paal] 1286} oudsaksisch, oudhoogduits sparro, middelengels sparre (engels spar), oudnoors sparri; hiervan afgeleid (ver)sperren (vgl. speer1).

spar2* [boom] {1714} wel zo genoemd omdat men er sparren [staken, dakspanten] van maakte, verkort uit sparrenboom {1664} (vgl. spar1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spar 2 znw. m. ‘naaldboom’, eerst na Kiliaen, betekent dus een boomsoort, die voor sparren geschikt is en kan dus overdrachtelijk gebruikt spar 1 zijn, zonder dat men moet denken aan een verkorting uit sparreboom.

spar 1 znw. m. ‘balk’, mnl. sparre, os. ohd. sparro ‘balk, staak (nhd. sparren), me. sparre (ne. spar) ‘rondhout, spar, spier’, on. sparri m. ‘spalk, balk’; daarnaast on. spari m. ‘spalk’ en sperra v. ‘dakbalk’ (indien niet < mnd. sper ‘gebint’) en owfri. speeren ‘balk’. — lat. sparus, sparum ‘korte jachtspeer’, sparus, gr. spáros ‘visnaam’ en zonder begin-s lat. paries ‘wand’ (eig. zijstangen van een tent), osl. podŭ-pŭrą ‘steunen’, zaprěti ‘sluiten’ (IEW 990-991). — Zie ook: speer en sperren. — > ne. spar (vóór 1300, vgl. Bense 437); > russ. špar (vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 87).

Het woord duidt oorspr. het gevorkte einde van een boomstam aan, waarin de dakvorst rustte, dan bij verbeterde bouwtechniek het spantenpaar, die het dakgeraamte helpt vormen. Het idg. *sp(h)er schijnt dan ook in het bijzonder voor werkzaamheden in het primitieve bos- en bouwbedrijf gebruikt te zijn en staat in deze zin naast *sp(h)el, waarvoor zie: spalk. — Van *sp(h)er zijn in het nl. vele afleidingen aanwezig en wel:
met dentaal zie: sport
met gutturaal zie: sprokkelen, sprang en springen
*sp(h)erei zie: spreiden
*sp(h)ereu zie: spriet en spruiten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spar I (balk), mnl. sparre (m.?). = ohd. os. sparro m. “balk, staak” (nhd. sparren), meng. sparre, eng. spar “rondhout, spar, spier”, on. sparri m. “spalk, balk”. Hiernaast on. spari m. “spalk”, sperra v. “balk, dakspar” en owfri. speeren “balk”. Afl. mnl. sperren “sluiten, opsluiten, spannen” (nnl. sperren, gewoner is versperren), ohd. sperren “grendelen, sluiten” (nhd. sperren), mnd. spēren “uitspannen, daksparren aanbrengen, tegenhouden”, on. sperra “daksparren aanbrengen, uitstrekken, buitensluiten”. De oorsprong van germ. *sparzan- (ndl. spar enz.), *sparan- (on. spari) is onzeker. Misschien is speer verwant, misschien verder lat. sparus, -um “korte jachtspriet”, perz. ispar, sipar “schild” (ouder: “stuk hout”). De oorspr. bet. van al deze woorden zou dan “hout” zijn. Een bevredigende afl. van een verbaalwortel is niet gegeven.

spar II (boom), nog niet bij Kil. Wsch. een verkorting van sparreboom “een voor sparren geschikte boom” (vgl. mastboom, mastbosch).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spar I (balk). Wellicht is alb. špar̄ ‘soort eik’ verwant: Jokl Lingu-kulturhist. St. a. d. Ber. des Alb. 186 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spar m. & v., Mnl. sparre, Os. sparro + Ohd. id. (Mhd. sparre,Nhd. sparren), Eng. spar, On. sparri (Zw. en De. sparre). Voor de twee bet.: balk, sparreboom, vergel. mast. — z. sperren en speer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spar ‘boomsoort; staak (vaak van die boomsoort)’ -> Frans épar(t) ‘dwarsbalk, sluitboom’ Frankisch; Russisch dialect špar ‘boomsoort; staak’; Sranantongo spara ‘boomsoort; staak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spar* staak 1175 [Rey]

spar* boomsoort 1714 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut