Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spannen - (strak trekken, vastmaken aan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spannen ww. ‘strak trekken, vastmaken’
Mnl. spannen ‘zich inspannen’ [1240; Bern.], ‘vastmaken; strak trekken’ in Dat si der marteleren crone Nv spannet hoge in hemelrike ‘dat ze de martelaarskroon nu hoog in de hemel vastmaakt (als ereteken)’ [1265-70; VMNW], ghelic of men .i. boghe spanne ‘alsof men een boog spant’ [1287; VMNW], Men spien die ossen in die waghen ‘men spande de ossen aan de wagen’ [1390-1410; MNW-R].
Os. spannan (mnd. spannen); ohd. spannan (nhd. spannen); oe. spannan; ofri. spanna; alle ‘spannen, vastmaken, verbinden’, < pgm. *spannan-, oorspr. een sterk werkwoord van de zevende klasse, met stamtijden mnl. spien(en) - ghespannen. Een hiervan afgeleid causatief is pgm. *spannijan; nzw. spänna ‘spannen’. Daarnaast staat pgm. *spanan- ‘verlokken’ (zesde klasse), waaruit: mnl. spanen; os. spanan (mnd. spanen); ohd. spanan (mhd. spanen); ofri. spana; oe. spanan; ozw. spana (nzw. spana ‘speuren, turen’). De lange n in < pgm. *spannan- komt wrsch. uit -nw-: *spanwan-.
Ablautend verwant met → spinnen ‘draden vormen’, uit ‘spannen van de vezels’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spannen1* [strak trekken, vastmaken aan] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels spannan, oudfries spanna, oudnoors spenna; buiten het germ. latijn pandere [uitspannen], grieks pitnèmi [ik breid uit], litouws pantis [boei], oudkerkslavisch pęti [spannen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spannen ww., mnl. spannen (verl. t. spien en spande) ‘spannen’, os. ohd. spannan (nhd. spannen), ofri. spanna, oe. sponnan (ne. span). Naast dit redupl. ww. ook een zwak *spannian in mnd. mhd. spennen, on. spenna ‘omspannen, vastbinden’, nde. spænde, nzw. spänna ‘spannen, bevestigen’. De -nn- zal men niet op een idg. -ṇu̯- moeten terugvoeren, maar als affectieve verdubbeling mogen beschouwen. Daarnaast staat met -n- behalve nnoorw. spana ‘spannen, strekken’, mhd. spān ‘twist’, widerspān ‘tegenstrevend’, ook ww. *spanōn ‘verlokken’: mnl. spānen, os. ohd. oe. spanan naast ohd. spennen, on. spenja (< germ. *spanjan). — Zie ook wederspannig.

Men gaat terug op een idg. wt. *sp(h)ē, waartoe behoren gr. spáō ‘trekken, rukken’, spasmós ‘trekking, kramp’. Daarvan afgeleid (IEW 982):
met gutturaal zie: spang
met dentaal zie: spinnen, spoed
met i zie: spek
met u zie: spies.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spannen ww., mnl. spannen (praet. spien, spande). = ohd. spannan (nhd. spannen), os. spannan, ofri. spanna, ags. sponnan (eng. to span) “spannen” (en verwante bett.), een redupliceerend germ. ww. Hierbij mhd. mnd. spennen “spannen”, on. spenna “omspannen, omsluiten, in zijn macht krijgen of houden” benevens span I, span II e.a. De nn van spannen (uit nw?) was oorspr. wsch. alleen aan ’t praesens eigen. Met één n noorw. dial. spana “spannen, rekken”. Zie nog wederspannig. Van een idg. basis (s)pen-. Verwant zijn obg. pĭną, pęti “spannen”, pąto, lit. pántis “boei”, met d- of dh-formans obg. pędĭ “spanne”, lit. spéndžu, spę́sti “valstrikken spannen” (en pâmir-dial. spundr “ploeg”, gr. spindeĩra · árotron Hes.?), verder de woordfamilie van spinnen. Ook lat. pendeo “ik hang” (< “hang gespannen”?), pendo “ik laat hangen, weeg, betaal”? Voor de bet. vgl. obg. pęti ook = “ophangen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spannen o.w., Mnl. id., Os. spannan + Ohd. id. (Mhd. spannen, Nhd. id.). Ags. spannan (Eng. to span), verwant met spinnen en Lat. pandere (z. pas en kroon).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spannen (spande, heeft gespand), zwanger maken. Hij wenste op een gegeven moment dat hij zo was als dat soort jongens, dat niet diep doordacht over het leven en diens verantwoordelijkheden; dat hij in staat was een beetje gewetenloos te zijn. Hij zou Oema spannen en kijken wat dan zou gebeuren. En de gevoelens van haar ouders zouden hem niks kunnen schelen (Dobru 1968c: 73). - Etym.: S span = o.m. id. - Syn. keien*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Span. ww., die agterbene van ’n koei vasbind voor sy gemelk word. Dit geskied met ’n spantou. – In dieselfde betekenis kom beide woorde voor in Noord-Holland (Boekenoogen 970, J. de Vries Az. 97), Friesland (Dijkstra III, 169) en Groningen (Ter Laan: 939). Ook Gunnink 211: spa nṇ: Opprel 84: spantouw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spannen ‘strak trekken, vastmaken aan, uitspreiden’ -> Engels span ‘vastmaken aan, kluisteren; strak trekken; vastzetten; een paardenspan formeren’; Deens spande ‘een trekdier voor de wagen spannen of losmaken’ ; Frans épanouir ‘zich openen (van een bloem); opbloeien’ Frankisch; Indonesisch span ‘strak trekken’; Menadonees span ‘spannen, een touw spannen’; Papiaments span ‘uitrekken, strak trekken; spreiden; wijder maken; wijder worden; uitzetten’; Sranantongo span ‘zich druk maken; gespannen; spanning’; Saramakkaans sipán ‘zich inspannen, kracht bijzetten’; Surinaams-Javaans sepang ‘zich druk maken, zich zorgen maken, in spanning of onzekerheid verkeren’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spannen* strak trekken, vastmaken aan 1091-1100 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1284. De kroon spannen,

d.w.z. boven anderen uitmunten, de eerste zijn in aanzien en eer; alle anderen achter zich laten. In het mnl. crone spannen, zich de kroon binden, vastmaken (vgl. mnl. sporen spannen; ndl. aanspannen, inspannen, uitspannen, spanriem), waarbij men onder ‘die crone’ moet verstaan den krans, den lauwerkrans, als het zinnebeeld van de eer of den roem, dien iemand, bijv. door eene overwinning, heeft verworven en op zijn hoofd zet. Vandaar dat crone spannen de beteekenis kon aannemen van boven anderen zich onderscheiden, anderen overtreffen. Zie Mnl. Wdb. III, 2129; I, 1261 i.v. binden (8); VII, 1639; A. Bijns, N. Refr. 12, 65; 33, 6; Hooft, Brieven, 383; Vondel, Jeptha, 586; Adam in Ball. vs. 1; Halma, 292; Sewel, 421: Dat spant de kroon, that excels; Noord en Zuid XIX, 211-214; Joos, 103; Ndl. Wdb. VIII, 347; Villiers, 69.

1756. De paarden achter den wagen spannen,

d.w.z. de zaak verkeerd aanpakken; de kerk op den toren zetten (zie Antw. Idiot. 639); hy hangt het roer aan de scheg (de steven), hy doet zyne dingen verkeert, en achterste voor (Tuinman I, 158). In de 16de eeuw bij Servilius, 5: het peert achter den waghen spannen; bl. 8: de peerden achter den wagen spannen; vgl. ook bl. 4: den wagen voer die peerden spannen. In de 17de eeuw heb ik toevallig nergens deze spreekwijze aangetroffen, doch in de 18de eeuw wel bij Van Effen, Spect. XII, 178; C. Wildsch. II, 275; V. Janus I, 66. In vele talen wordt deze gedachte op soortgelijke wijze uitgedrukt; mlat. ante boves (versum non vidi currere) plaustrum (vgl. Con. Somme, bl. 633: die ploech voor die ossen setten); in het fr.: brider l'âne par la queue (vgl. het Haspengouwsch: een peerd aan 't gat toomen; Rutten, 234 b en Tuinman I, 158); mettre la charrue devant les boeufs; in het hd.: die Pferde hinter den Wagen spannen; die Ochsen hinter den Pflug spannen; das Pferd beim Schwanz aufzäumen (Wander III, 1317; Eckart, 404); in het eng.: to put the cart before the horses; in het fri: hy slacht de hynsders earsling (forkeard) foar de wein. In Zuid-Nederland: den wagen voor de peerden jagen, spannen, te rap handelen (Rutten, 171 a; Antw. Idiot. 1414; Joos, 105); Afrik. die kar voor die perde span.

2394. De vierschaar spannen,

d.i. rechtspreken. Onder de vierschaar, mnl. vierscareMnl. Wdb. IX, 458., ook vierbank, verstond men de vier schepenbanken, waarmede men de rechtbank afzette; vgl. het ohd. scranna, stoel, bank, schepenbank; mhd. schranne, schrange, gerichtsbank; schrannen-sitzer, gerichtsbeisitzer; schrannenstap, gerichtsstab; mnd. scharne, vleeschbank, thans nog bekend in het hd. Fleischschranne, Brotschranne, en de nederd. uitdr. klagen binnen ver benken; vor die vier benke komen; in den vier benken en dergelijke. Met spannen, d.i. sluiten (zie no. 1284) wordt hoogstwaarschijnlijk bedoeld het met een touw omgeven van de banken, waarbinnen de beschuldigde stondGrimm, Rechtsalterth.4 II, 435-438; Noordewier, 334; 373; Mnl. Wdb. VII, 1641; Günther, 90 en Brill, die in het Nieuw Archief, 427 beweert, dat de afperking geschiedde door op schragen gelegde planken, welke, aldus nedergelegd, banken vormden; zie evenwel Ndl. Wdb. II1, 976.. Vgl. het mnd. de vêrschare (= de vêr scharnen) spannen, die vier Bänke des Tribunals hegenVgl. in het mnl. een gerechte hegen, de rechtplaats afstuiten of afheinen, haar voor de rechtzitting in gereedheid brengen; heimael (uit hegemael), vierschaar; zie Mnl. Wdb. III, 251; 272., Gericht halten; mnl. die vierscare openen, beslaen; Kiliaen: Vier-schaere, tribunal, forum iudiciale, forum iudiciarium, iudicum confessus, q.d. congregatio quatuor virorum nempe iudicis, actoris, rei, et scribae; aut praetoris, iudicis, accusatoris et rei: vel ut in Saxonia et aliis nonnullis locis olim, praetoris, et trium senatorum sive scabinorum; spannen de bancke oft vierschaere. Holl. j. bannen, forum agere, iura exercere. In Zuid-Nederland: veur de vierschaar komen, te voorschijn, voor de pin, voor den beetel komen (Waasch Idiot. 839). Vgl. voor de balie (oorspr. hekwerk) komen (zie no. 479).

2455. Op gespannen voet,

d.i. op niet vriendschappelijken voet: zóo, dat de goede verstandhouding door de geringste aanleiding verbroken wordt, evenals een strak gespannen draad of een snaar door de minste aanraking stuk springt; eig. op gespannen wijze, in een gespannen toestand. Voor deze beteekenis van voet zie no. 2456. Vgl. het zal er (om) spannen, het zal niet gemakkelijk gaan, moeite kosten, het zal er (om) kraken; ook bij Schuermans, 650 a: het zal er spannen, het zal er spoken (Antw. Idiot. 1150); het spant er niet, daar is geen haast bij; De Bo, 1063; Waasch Idiot. 611; Rutten, 211 b: spannen, moeite kosten; syn. het wringt er, er is onmin (Waasch Idiot. 751); hd. auf gespanntem Fusze, mit jemand gespannt sein; mit jemand über den Fusz gespannt seinGrimm IV, 982; 987.; gespannte Beziehungen (die drohen, zu einem Risse zu führen); fr. avoir des rapports tendus avec quelqu'un; eng. strained relations.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut