Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

span - (lengtemaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

span 2 zn. ‘lengtemaat, korte tijdruimte’
Mnl. twee spannen ‘twee spannen, spanwijdten’ [1348; MNW], lanc ... 21/2 spanne ‘21/2 span lang’ [1351; MNW]; vnnl. ten scheelden geen span ‘het scheelde geen spanwijdte’ [1596; iWNT], span ‘uiteengestrekte hand’ in dat is een span [1617; iWNT], ‘beperkte tijdsruimte’ in 't Leven is soo korten span [1638; iWNT].
Afleiding van het ww.spannen. Oorspr. de aanduiding voor de ruimte tussen duim en pink of tussen duim en wijsvinger. Momenteel vrijwel alleen nog in gebruik in samenstellingen als spanwijdte en tijdspanne.
Ohd. spanna (nhd. Spanne); oe. sponn, spann; on. spönn ‘breedte van de uitgestrekte hand’; < pgm. *spannō- ‘spanwijdte’. Ook als Germaans leenwoord in middeleeuws Latijn spannus ‘lengtemaat’ [804; Niermeyer] en Oudfrans espan [ca. 1150; TLF] (Nieuwfrans empan).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

span1* [lengtemaat] {1401-1450} eig: dat wat gespannen wordt, afstand tussen pink en duim van de gespannen hand, van spannen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

span 1, spanne znw. v., mnl. spanne v., mhd. spanne, ohd. spanna (nhd. spanne), oe. sponn (ne. span), on. spǫnn v. ‘breedte der uitgestrekte hand’, afl. van spannen.

Uit frank. *spannō ontstond ofra. espanne, waaruit sedert de 16de eeuw nfra. empan, terwijl ital. spanna wel uit het langob. zal zijn overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

span I, spanne znw. (de), mnl. spanne v. = ohd. spanna (nhd. spanne), mnd. spanne, ags. sponn (eng. span), on. spǫnn v. “spanne, breedte der uitgestrekte hand”. Ofri. sponne v., dat als “omspanning, rand (van den mantel)” wordt opgevat (of “gesp” evenals mnl. spanne v.?), is hetzelfde woord. Bij spannen. Uit ’t Germ. it. spanna, fr. empan, “een lengtemaat”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

span I. Onder invloed van span II ook o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

span, spanne v. (maat), + Hgd. spanne, Eng. span, Zw. spann, De. spand, verbaalabstr. van spannen, als zijnde de ruimte tusschen de uitgespannen vingeren. Hieruit Fr. empan. Het onz. span ontstond uit gespan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

span, A (zn.), 1. (de), spanning. Maar voordat hij zijn kameraad nader kon ondervragen, sprong deze in een wilde* bus en liet Sjorrie in de span achter (Verlooghen 24). - 2. (de, -nen), grootste afstand tussen de top van de duim en die van een andere vinger bij gespreide hand. Hij rolt dicht bij de knikker van Ram. Hij ligt er vlak bij. Minder dan een span (A. de Vries 1957 (6): 16). - 3. (de, -nen), geraamte van een vlieger. Voor de span van deze vlieger gebruikt men twee printa’s* van gelijke lengte (Nekrui 19). - B (bn.), gezwollen, gespannen; rijp. Bakoven* voor export worden 3/4 span geoogst (in krant, 1965). Toen ik er aankwam was de fuif* reeds* span-span (Dobru 1967: 27); hier: op zijn hoogtepunt. - Etym.: Veroud. AN s., spanne (zn.) = bet. A. 2 en een lengtemaat (2 dm.). A. 3: S s. = o.m. spannen. Bet. B is Sranan; zie ook ’no span*’, spannen*.
— : no span, maak je niet druk, maak je niet dik. Maar no span alles wordt weer genormaliseerd (in brief, 1986). - Etym.: S (no = niet; zie span*, B).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Span, Spanne: „een span lengte”; „een spanne tijds”, een afl. van spannen en bet. letterlijk: de afstand tusschen den uitgespannen duim en pink, dus een kleinigheid vergeleken bij een vadem: de lengte der uitgestoken armen. Spannen zelf komt van den Germ. wt. span = rekken; vgl. nog spant = de uitgespannen latten of balken op het dak. Daar veelal ook touwen (voorheen: riemen) gespannen werden, kreeg span ook de bet. van riem of touw zelf, en spannen als denom.: met een riem binden; vgl. een paard voor den wagen spannen. Een span paarden, staat feitelijk voor: een gespan = samenspan (vgl. buur, voor gebuur.) In „de kroon spannen” bet. spannen óók binden; immers kroon was vroeger de naam voor krans, lauwerkrans; wie dus de „kroon spande” was n° 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

span ‘lengtemaat, ruimte, constructie tussen twee steunpunten, tijdspanne’ -> Duits dialect Spande ‘bedframe’; Deens spand ‘afstand tussen twee dingen, tijdspanne’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans empan ‘maateenheid’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

span* lengtemaat 1150 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal