Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spalier - (latwerk voor leibomen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spalier [latwerk voor leibomen] {1824} < hoogduits Spalier < italiaans spalliera [rugsteun, latwerk voor vruchtbomen], van spalla [schouder, steun] < latijn spatula [breed, plat plankje] (vgl. spatel).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spalier o., gelijk Hgd. id., uit Fr. espalier, van It. spalliero = rugstuk, spalier, afgel. van spalla = schouder, Mlat. spatulam (-a) = schouderblad, schouder, dimin. van spatha: z. spade.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut