Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spade - (schop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spa(de) zn. ‘spitwerktuig’
Mnl. spade [1240; Bern.].
Os. spado (mnd. spade); mhd. (Nederduits) spade (nhd. Spaten); ofri. spada (nfri. stikelspa(r) ‘kleine spade om distels te steken’); oe. spadu, spade (ne. spade); laat-on; -spaði (nzw. spade); < pgm. *spadan-, *spadō(n)-.
Verwant met Grieks spáthē ‘breed en plat stuk hout, lemmet van een zwaard’ (zie ook → spatel); < pie. *sph1-dh-, uitbreiding van de wortel *speh1- > *spē- (IEW 980), zoals ook in → spaan en misschien in → spaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spade2* [schop] {1201-1250} oudsaksisch spădo, middelhoogduits spāt(e), oudfries spăda, oudengels spădă, oudnoors spădi; buiten het germ. latijn spatha, grieks spathè [breed, vlak hout, spaan, zwaard] (vgl. spaan).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spade 1, spa znw. v., mnl. spāde v. (zelden m.), os. spado, nhd. spaten, ofri. spade, oe. spadu, spade (ne. spade) m. ‘spa, houweel’; laat-on. spaði in de verb. jārnspaði is eerder een ontlening mnd. spāde) < germ. *spaðan: spaðōn, vgl. gr. spáthē ‘breed en plat hout van de wevers; blad van een riem, schouderblad, lang, breed zwaard’, hitt. išpatar ‘speer’, een dh-afl. van de idg. wt. *sphē, waarvoor zie: spaan.

Wegens het vr. geslacht van spade in de Mark van Brandenburg denkt Teuchert Sprachreste 248-9 aan overname uit het nl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spade I, spa znw., mnl. spāde v., zelden m. = ohd. *spato (nhd. spaten), os. spado, ofri. ags. spada (eng. spade) m. “spa, houweel”, on. in jârn-spaði m. “ijzeren stang”, germ. *spaðan-. Verwant met gr. spáthē “breed, vlak hout, spaan”. Wsch. moeten we idg. sphǝth- of sphǝdh- aannemen, dat dan de schwundstufe van een uit sphê-, sphâ-” snijden” (zie spaan) verlengde basis is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spade I, spa znw. “Ags. spada m.” lees: ags. spadu,- e v.; “germ. *spaðan-” lees: germ.* spaðan-, * spaðô(n)-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spade 1 v. (schop), Mnl. id., Os. spado + Mhd. spate (Nhd. spaten), Ags. spada (Eng. spade), Ofri. spada On. spadi (Zw. en De. spade) + Gr. spáthē (waaruit Lat. spatha, Fr. épée = zwaardblad): z. spaan.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

spade. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen de verwensing haal een spade, ik zal u delven! Delven betekent hier letterlijk ‘begraven’. Iemand wordt met deze verwensing dus dood gewenst. De emotionele betekenis is afgezwakt tot afkeer, ergernis, minachting en kan weergegeven worden met ‘ik ben je meer dan zat, bekijk het maar’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spade, verwant met ’t Gr. spathè = zwaard, als werktuig om te steken of te stooten. Vgl. verkleinwoord is spatel, bijv. een spatelvormig blad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spade ‘schop’ -> Duits dialect Spade ‘schop’; Deens spade ‘schop; dom persoon; (slang) elektrische gitaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spade ‘werktuig om mee te spitten’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo spara ‘schop’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spade* schop 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut