Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spaan - (werktuig bestaande uit een blad aan een steel; spaander)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spaan zn. ‘werktuig bestaande uit een blad aan een steel; spaander’
Mnl. spaen ‘houten werktuig in de vorm van een lat, of met plat uiteinde; houtschilfer’ in datter en groet spaen viel af ‘zodat er een grote spaander afviel’ [1260-80; VNMW] vanden spaneren (datief mv.) ‘van de houtschilfers’ [1286; VMNW], hi ... ghinckene houwen in herde menighen clenen spane ‘hij hakte het (schild) in heel veel kleine schilfers’ [1350; MNW-R], met enen scarpen spane screpet ‘schrap het met een scherpe spaan’ [1351; MNW-P].
Mnd. spān, spōn; ohd. spān (nhd. Span); nfri. spoen; oe. spōn (ne. spoon); on. spónn, spánn (nzw. spån); alle ‘spaander, lat, spaan, houten lepel e.d.’, < pgm. *spēni-, *spēnu-.
Wrsch. verwant met Grieks sphḗn ‘wig’; < pie. *speh1-n-, en dan een afleiding van de wortel *speh1- ‘lang plat stuk hout’, zie → spa(de).
Het oorspr. meervoud van mnl. spaen was spane. In het Middelnederlands kwam het woord ook als onzijdig voor en het had dan een meervoudsvorm spaenre, zoals beenre bij → been en hoenre bij → hoen. Hierin ontwikkelde zich tussen de -n- en de -r- een epenthetische -d-, vergelijk beenderen en hoenderen: mnl. Daffal van ... spaendre ‘het afval aan spaanders’ [1359; MNW]. Toen deze meervoudsuitgang niet meer werd herkend, leidde dat tot de nieuwe stapelmeervoudsvormen spaanders en spaanderen: mnl. Al toude hout, spaendren, blocxkinne ende cortelinghen ‘al het oude hout, schilfers, blokjes en stukjes’ [1384-1407; MNW cortelinc], vnnl. Waer men houdt daer vallen spaenders ‘waar gehakt wordt, vallen spaanders’ [1552; iWNT waar VI]. Het bijbehorende nieuwe enkelvoud spaander is geattesteerd in 1691 bij Sewel: spaander ‘a chip’. Zie ook → lover. Het MNW vermoedt al een enkelvoud in spaendere ‘houtkrul’ [ca. 1483; MNW], maar gezien de verdere afwezigheid van dit enkelvoud tot aan de 19e eeuw lijkt dat onwaarschijnlijk.
Alle vormen met -r- hebben van begin af aan de betekenis ‘houtschilfer’. De oorspr. enkelvoudsvorm spaan heeft deze betekenis uiteindelijk verloren, behalve in samenstellingen zoals spaanplaat ‘tot platen geperst materiaal uit kleine stukjes hout’. De spaan als werktuig komt vooral voor in samenstellingen, bijv. roeispaan, schuimspaan en zie klikspaan onder → klikken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spaan* [afgespleten hout, gereedschap] {spane, spaen [houten werktuig, spaander] 1260-1280} middelnederduits, oudhoogduits spān, oudengels spōn (engels spoon), oudnoors spānn [spaan, lepel]; buiten het germ. grieks sphèn [wig], oudiers sonn [paal], oudindisch sphya- [spaander, mes], van een stam met de betekenis ‘splijten’ (vgl. spaat, spade2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spaan znw. v., mnl. spaen, spâne m. o., mnd. ohd. spān ‘spaander’ (nhd. span), oe. spōn m. ‘spaander’ (ne. spoon ‘lepel’) ofri. spōn ‘plat gouden borstsieraad’, on. spānn ‘spaander, houtspaan voor het werpen van het lot; lepel’ (< spānu, waaruit spǭnn, klankwettig tot spōnn en naar obl. casus spānn). — > ne. spane (sedert 1602, vgl. Bense 436).

Men vergelijkt gewoonlijk gr. sphḗn ‘wig’, oi. sphyá- ‘spaander, offermes’, dus uit een idg. wt. *sphē ‘lang, plat stuk hout’ (IEW 980) waarvan ook afl.
met dh zie: spade
met t zie: spaat
met g zie: spaak?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spaan znw., mnl. spaen (spâne) m. (o.). = ohd. spân m. “spaander” (nhd. span), mnd. spân, ags. spôn m. “id.” (eng. spoon “lepel”), on. spânn (spônn) “m. “id.” (ook voor “lepel” e.a. voorwerpen gebruikt), germ. *spêni-, -u-. Met sp- uit idg. sph-. Vgl. vooral gr. sphḗn “wig”, verder mhd. mnd. spât m. “splinter” (nhd. spat “een steensoort”), ier. sonn “paal”, gr. sphẽkes kaì sphēkiaí tá mikrà (lees makrà?) kaì eis oxù sunēgména xúla (= spháx, sphḗx “wesp”), oi. sphyá- “spaander, offermes”. Al deze woorden beteekenden oorspr. “afgesplinterd resp. puntig gesneden voorwerp”; ze komen van een idg. basis sphê-, sphâ- “snijden, splijten, punten”; zie nog spade I. Verwant hiermee is de basis (s)p(h)el-; zie spouwen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spaan (slot). Over mogelijke verwantschap met de basis *(s)p(h)el- (zie spouwen) is het beter geen uitspraak te doen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spaan 2 v. (lepel), zooals in schuimspaan + Eng. spoon, On. spánn: hetz. w. als spaan 1.

spon 1 v. (sponturf), is de Friesche vorm van spaan..

spaan 1 v. houtspaan), Mnl. spaen + Ohd. spân (Mhd., Nhd. span), Ags. spón.(Eng. spoon = lepel), Ofri. spón, On. spánn (Zw. spån, De. spaan): van denz. wortel als spade 1.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

spaan De herkomst van spaan is niet duidelijk. Deze borrelnaam dook aan het eind van de 19de eeuw ineens op, als uit het niets. Dat wil zeggen: het woord spaan bestond toen al eeuwen, maar geen van de zeven andere betekenissen die het WNT onderscheidt, biedt voldoende houvast om de herkomst van deze borrelnaam te verklaren. Of het moet de uitdrukking geen spaan zijn, voor ‘niet het minste’, waardoor spaan werd geassocieerd met ‘klein beetje’, een benoemingsmotief dat veel borrelnamen opleverde. Maar dit lijkt nogal ver gezocht.
Hoe het ook zij, in de betekenis ‘borrel’ is spaan omstreeks 1890 voor het eerst geboekstaafd, in een lijst met Amsterdamse uitdrukkingen van een zekere A.C. de Graaf (zie over deze lijst bij moppie). Vervolgens dook het woord in 1896 op in een standaardwerk over de Zaanse volkstaal, met als voorbeeldzinnen: ‘Kom, lêten we nag ers ’en spaan nemen. Hij ken heel wat spaantjes op.’ Justus van Maurik gebruikte de borrelnaam in 1897 in Amsterdam bij dag en nacht. Hij hoorde hem in de kroeg ‘De Kemphaantjes’, indertijd een beruchte dieventent:

Zeg Sam, geef je ’n rondje? Pandoere zonder een spaan (borrel) gaat niet. Leen, kom ereis hier! Geef es ’n tikkie klare; ’k heb zoo’n kinderachtige smaak in me mond.

Later is deze borrelnaam nog door verschillende schrijvers gebruikt, waaronder Bernard Canter en Jacobus van Looy. Mede daarom besloot Van Dale deze betekenis in 1950 een plaatsje te geven in zijn kolommen. Een oorzakelijk verband zal er niet zijn, maar voorzover bekend is er sindsdien weinig meer van deze borrelnaam vernomen.

[Boekenoogen 422; Graaf; WNT XIV 2550-2551]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spaan ‘afgespleten hout’ -> Papiaments † spaan ‘afgespleten hout’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spaan* afgespleten hout 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

spaan* gereedschap 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1179. Een klikspaan.

Onder klikspaan verstaat men thans iemand, die alles verklikt, verklapt, dus iemand die in Zuid-Nederland een klapspaan of een lakaaie genoemd wordt (De Cock2, 46). Door Halma wordt een klikspaan gelijk gesteld met een klapspaan, waarmede iemand, die niets geheim houdt, werd aangeduid, un délateur, une délatrice. Onder een clapspaen verstond men in de middeleeuwen een spaan of hout, waarmede men een klappend of kleppend geluid maakt, bepaaldelijk de lazarusklep, waarmede een melaatsche zijne nadering aankondigde. Bij overdracht werd de tong ook de klapspaan genoemd; vgl. fr. copeau, spaan, tong; ratel, tong (in hou je ratel! zie O. Kantk. 39) en babbelachtige vrouw; hd. halt die Klappe; de bij Harrebomée III, 258 vermelde zegswijze: eene tong hebben als een Lazaruskleppe; onze uitdr. hou je rammel, d.i. houd je mond, en Veelderh. Geneuchl. Dichten, anno 1600, bl. 118In de editie Letterk. bl. 175.:

Sonder te aenmercken al het gheklagh
Van wijf of kind, maeckt zijs te veel,
Hy grijptse terstond al by heur keel
En doet haer dat klapspaen stille staan.

Bij verdere overdracht kon ook hij of zij, die zulk een klapspaan, zulk een klappende tong had, zelf een klapspaan of een klikspaan genoemd worden, zooals blijkt uit Tuinman I, 202, die citeert: 't is een klapspaan, dat wil zeggen, zyn of haar tong is een klaterspaan, of ratel; zy zwygt niet; Sewel, 392: Klapspaan, klikspaan, snapper, informer, betrayer, en het Zuidnederl. klep, klepel, tong, babbeltong, vrouw die veel klaps heeft (Schuermans, 249 a; Bijv. 163 a; Antw. Idiot. 663). Zie verder Mnl. Wdb. III, 1482 en merk op, dat thans klappen in deze samenstelling wordt opgevat in den zin van oververtellen.(Aanv.) In Zuid-Limburg is een klepper = klikspaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut