Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spaak - (verbinding tussen naaf en velg, spaak als hefboom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spaak zn. ‘verbinding tussen naaf en velg, spaak als hefboom’
Mnl. speke ‘spaak’ in Jtem van speeken ,xl, d ‘evenzo voor spaken: 40 penningen’ [1285-86; VMNW], naven, speeghen ende velghen ‘naven, spaken en velgen’ [1350-85; MNW schamel II], assen, speken ende velgen ‘assen, spaken en velgen’ [ca. 1425; MNW], ook algemener ‘balk die straalvormig aan een as is bevestigd (om deze te doen draaien of juist tegen te houden), windboom, hefboom’ in An de crane, ... moederspeeke ende cleine speeken ‘aan het hijswerktuig, ... windboom en kleine spaken’ [1432-68; MNW moederspeke]; vnnl. spaeck ‘windboom’ [1567; Nomenclator, 325a], speecke, spaecke ‘id.’ (naast alleen speecke, rad-speecke ‘spaak’) [1588; Kil.], een spaek in haer wiel te hebben [1630; iWNT staan], wiel en spaecken [1660; iWNT wagen I].
Spaak is de Noordzee-Germaanse vorm van mnl. speke ‘spaak’, met -ā- uit Proto-Germaans -ai- als in het toponiem Haamstede (Zeeland), waarin haam = ‘heem’, en in → ladder < *lader < *hlaidrō-.
Os. spēka (mnd. speke), mnd. ook spake; ohd. speihha (nhd. Speiche); ofri. spēke (nfri. speak(e)); oe. spāca (ne. spoke); alle ‘spaak’, < pgm. *spaikōn-, ablautend verwant met → spijker.
Pgm. *spaikōn- is niet verwant met pgm. *spaka- ‘dor, droog’, waaruit o.a.: mnl. spack ‘id.’ [1477; Teuth.]; mnd. spak, spāk ‘id. (van hout)’; ohd. spah (zn.) ‘droge twijg, brandhout’. Het hiervan afgeleide zn. *spakōn- ‘droge twijg, brandhout’ (mnd. spake, spākholt, ohd. spahha, mhd. spache) zou tot mnl. *spake > nnl. *spaak hebben geleid, wat volgens de traditionele etymologie (FvW, MNW, Verc., WNT, NEW, Toll., EDale) reden is om aan te nemen dat spaak ‘verbinding tussen naaf en velg’ hetzelfde woord is, op de betekenis ‘takje’ teruggaat en dus niet verwant is met het synoniem speke. Zo'n betekenisoverdracht is echter zeer onwaarschijnlijk: een spaak moet juist zeer sterk zijn en zal nooit uit takjes of dorre twijgen zijn gemaakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spaak* [verbinding] {spa(ec)ke [staak, stang, spaander] 1351-1400} met andere vocaal middelnederlands speke, speec (vgl. speeksel), oudsaksisch speca, oudhoogduits speicha, oudfries spake, speke, oudengels spaca (engels spoke); vermoedelijk te verbinden met spijker2, spit1, spie1. De uitdrukking spaak lopen [in de war lopen] {1802-1809} komt uit te spaak, d.w.z. op een spaak lopen, gezegd van een wiel dat tegen een spaak loopt en daardoor klem komt te zitten.

speek1* [spaak] {speke, speec 1287} een variant van spaak.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spaak znw. v. ‘wielspaak, stuk hout als hefboom’, mnl. spāke, spaecke v. ‘staak, stang; afgehouwen stuk hout’ (Handwb.), Kiliaen spaecke ‘stang, staak’, mnd. spāke v. ‘wielspaak’, spāken nv. ook ‘dor hout’, ohd. spahha v., spahho m. ‘rijshout, takkenbos’, oe. spæc ‘takje, takkenbos’. Indien men vergelijkt mnd. spak, mhd. spach ‘dor, droog’ en mnl. spāken, spaecken ‘dor of droog zijn’ ook ‘dorst hebben’, dan schijnt het uitgangspunt te moeten zijn ‘dor sprokkelhout’ te vergelijken met mnl. sproc, mnd. sprok ‘takje, dun rijshout’ en abl. oe. sprœc (vgl. voor de verhouding van deze vormen J. de Vries, Mélanges Mossé 1960, 483). — Zie ook: spreken.

Hiernaast staat een klinkervariant in mnl. spêke, speec ‘spaak van een wiel, kort stuk hout’ (> ne. speke, 1366-1618, vgl. Bense 441), os. spēka, ohd. speihha (nhd. speiche), oe. spāce (ne. spoke), waarnaast zie: spijker, waar enige idg. verwanten zijn opgegeven. — Moet men nu aannemen, dat hier twee verschillende woorden naast elkaar staan, en dat spaak de bet. van speek zou hebben overgenomen? Liever zou ik aan oude germ. varianten *spaka en *spaika denken, die beide uit het oude bosbedrijf voortkomen en die al naar omstandigheden zowel ‘rijshout’ als ‘korte, dikke stammen of takken’ konden aanduiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spaak znw. Kil. spaecke “stang, staak”, mnl. eenmaal ’t mv. spaken (= “houtsplinters”?). = ohd. spahha v., spahho m. “rijshout, takkenbos”, mnd. spāke v. “spaak (van een wiel)”, spāken mv. ook “dor hout”, ags. spæc (m. o.?) “takje, takkenbos”. Wsch. zijn mhd. spach, mnd. Teuth. spak “dor, droog” verwant. Oorsprong onzeker. De verklaring van *spaka- als “krakend” en van ohd. spahha enz. als “krakend hout” benevens de verdere combinatie met mhd. spakt m. “luid gepraat, gebabbel”, ags. spëcan (eng. to speak) “spreken”, spæ̂c znw. v. “het spreken” (eng. speech) (zie nog spoken), eventueel hoogerop met lit. speñgti “klinken” is een onbevredigend fantasiebeeld. Zie bij sprokkel. Ndl. spaak heeft evenals ’t mnd. woord de bet. aangenomen, die oorspr. aan ’t niet verwante speek, in de meeste ndl. diall. nog het woord voor “radspaak”, mnl. spêke v. toekwam. Dit woord = ohd. speihha (nhd speiche), os. spêka, (ofri. niûgenspâtze, -spêtze “negenspakig”), ags. spâce (eng. spoke) v. “radspaak”; ablautend met spijker I. — Spaak loopen moet wsch. uit te s. l. verklaard worden: vgl. fri. to speak rinne, naast speak rinne. Het loopt (te) spaak kan dan worden opgevat als “er wordt een spaak in het wiel gestoken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spaak. Ags. spæc ‘takje, takkenbos’ is o.
Over ags. spëcan ‘spreken’ enz. zie bij spreken Suppl.
Een redelijke verbinding krijgt men door deze woordgroep te herleiden op een verlenging van de bij spaan en spade I besproken basis; de bet. van mhd. spach, mnd. Teuth. spak (dor, droog’ is dan te verklaren als ‘houtig, droog als een rijsje’. Hierbij nog Kil. spaecke (l. spaecken) ‘splijten van droogte’, 16e-eeuws spaken*dorst hebben’, Kil. spaeckigh, spaeckerigh ‘droog’, nnl. dial. spakerig ‘warm en dampig (van de atmosfeer)’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spaak 1 v. (stuk hout), + Ohd. spahha (Mhd. spache), Ags. spæc = staak, roede enz.: oorspr. onbek., niet verwant met synon. speek 1.

spaak 2 bijw. (verward), ís het vorige w., naar de uitdr. een spaak in ’t wiel steken, waardoor het wiel te spaak loopt.

speek 1 v. (spaak), Mnl. speke, Os. spêka + Ohd. speihha (Mhd. speiche, Nhd. id.), Ags. spáce (Eng. spoke), verwant met spijker 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

speek: verbindingstuk tussen naaf en velling; Ndl. spaak (Mnl. spake), “spaander” (vgl. Eng. spoke), het saamgeval m. dial. Ndl. speek (Mnl. speec/speke), Hd. speiche, verb. m. spyker in alg. bet. “iets wat aaneenheg”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spaak, oorspr.: staak, houten stang, knuppel; later: de houten spijlen van een wiel. Vandaar: een spaak (= staak) in ’t wiel steken, n.l. tusschen de spaken; hiervan misschien de uitdr.: „Dat loopt spaak” (in de war, verkeerd).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spaak ‘verbinding tussen naaf en velg’ -> Engels speke ‘handspaak; verbinding tussen naaf en velg’ (uit Nederlands of Nederduits); Duits Spake ‘verbinding tussen naaf en velg’; Deens spage ‘zware stang (op bijvoorbeeld een schip)’; Noors spake ‘verbinding tussen naaf en velg’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spak ‘hendel, pook, stuurknuppel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins spaaki ‘stuurhendel, stuurpook; handvat, handgreep’ ; Frans dialect † espec ‘spaak (van een kaapstander e.d.)’; Indonesisch sepak, spak ‘verbinding tussen naaf en velg’; Negerhollands sporǝk ‘verbinding tussen naaf en velg’; Papiaments spak (ouder: spaak di wiel) ‘verbinding tussen naaf en velg’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spaak* verbinding tussen naaf en velg 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2108. Eene spaak in het wiel steken,

d.w.z. iets door een onvoorzienen hinderpaal beletten; eig. door plotseling eene spaak in het wiel te steken beletten dat het voortdraait, zoodat de wagen moet blijven stil staan. In de 17de eeuw reeds vrij gewoon naast een stok in 't wiel steken (- leggen of werpen); vgl. Sart. III, 10, 73: Een stock in 't wiel werpen, scrupulum injicere; Winschooten, 294: Een stok in 't wiel steeken, is een voermans woord, hetwelk oneigendlijk beteekend een saak verhinderen: een saak in de wal schuiven: want als men een stok in een wiel, of rad van een waagen, steekt: soo kan de waagen niet voortrijden: maar moet stille staan; bij Paffenr. 224: een stok in 't wiel leggen. Zie verder Hooft, Ned. Hist. 444; Brieven, 158; 199 en 414: Hoewel te duchten staat, dat de Deen ook een' spaak in 't wiel zal steeken, met stijven van den Sax; Pers, 408 a; 525 a; 596 b; Sewel, 760; Halma, 595: Eenen spaak in 't wiel steeken, iets in zijnen voortgang stuiten; V. Janus, 3, 330; Harreb. II, 282; Het Volk, 3 April 1914, p. 2 k. 4; Jord. II, 155: Hij zou een gekke spaak door Jet's drijverijen steken; enz. In Zuid-Nederland: daar is eene sport in 't wiel (Schuermans, 662 b); Waasch Idiot. 612: speeken in 't wiel steken, iemand in eenig ontwerp dwarsboomen; Antw. Idiot. 2068: stokken in 't wiel steken, iemand of iets dwarsboomen; in 't Hagelandsch: ieverens in schää (schei, platte sport, dwarshout) tusse steke (Tuerlinckx, 546); Afrik. 'n spaek (of 'n stok) in die wiel steek; in 't Friesch: in speak(e) yn 't tsjil stekke; in 't fr. mettre des bâtons dans les roues; eng. to put a spoke in the weel; 16de eeuw: to set a spoke in one's cart (Prick); Gunnink, 216: iemand een stike steken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut