Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

soms - (af en toe, weleens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

soms bw. ‘af en toe, weleens’
Mnl. soms ‘af en toe’ in Laghen si soms te bedde .III. daghen ‘ze lagen soms wel drie dagen op bed’ [1400-20; MNW-R].
Afleiding van mnl. som ‘enig, enkel’, zie → sommige, met bijwoordelijke -s (zie → -s 2). Dit voornaamwoord kon zelf ook al bijwoordelijk gebruikt worden, meestal met de betekenis ‘deels, gedeeltelijk’, maar soms ook met een temporele betekenis, bijv. in some uliegen si hare uarde ‘soms vliegen ze rond’ [1287; VMNW], som duncket mi orgelen ende somtijts snaren ende somtijts sanc ‘soms meen ik orgels, soms een snaarinstrument en soms zang’ [1400-50; MNW].
Het is weinig wrsch. dat soms een vereenvoudiging is van *sommes < sommels < mnl. sommaels ‘soms’ (zie onder), aangezien de vorm sommes niet is geattesteerd.
Pas in het Nieuwnederlands is soms een gebruikelijk woord geworden. Voor die tijd waren samenstellingen van som met een woord voor ‘tijd, moment’ gebruikelijker: mnl. sommaels, somstont, en vooral somtijt(s), somtiden en somwile(n) (voor het tweede lid zie resp.maal 1, → stonde, → tijd, → wijl) betekenden allemaal ‘af en toe, soms’, maar zijn verouderd of behoren tot de formele taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

soms* [weleens] {1777} wel < middelnederlands zommels < sommaels, van som(mig) (vgl. sommige) + maal5 [keer].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Soms

Het woordje soms is gevormd van het oudere som, waarachter de zogenaamde bijwoordelijke -s is gekomen. Som komt reeds in het Middelnederlands voor in de betekenis: enig, sommigen. ‘Som raden mi dit, ander dat’. Behalve soms vindt men in oudere geschriften ook de vorm sommels uit sommaels, dat wil zeggen een samenstelling van som en maal (keer) met alweer die bijwoordelijke -s. De vorm betekent dus: enige keren, af en toe, maar hij komt alleen als sommes nog voor in Belgisch-Brabantse streektaal. Het Engels kent nog some voor: enige, sommige enz. Dit woord sommige is natuurlijk ook familie van som.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

soms bijw., eerst na Kiliaen (éénmaal sommes bij Huygens), wel mnl. sommels (< sommaels, gevormd als somtijds, somwijlen) waaruit sommes, soms kan zijn ontstaan. In zuidnl. (antw. brab.) leeft de vorm sommes nog.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

soms bijw., nog niet bij Kil. Met bijwoordelijke -s van ’t mnl. bijw. (oorspr. ’t o. van som “eenig”) som “soms”, gew. “voor een deel”. Mnl. (en Teuth.) sommels “soms” < mnl. sommaels (met bijwoordelijke s van som + maal I) kan invloed gehad hebben: vgl. den Antw. brab. vorm sommes. — somtijds, somwijlen bijww., reeds mnl. mnd. Verschillende uitgangen komen voor. ’t Oudst is mnl. sōme tijt; sōme wîle.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

soms. Eerst later-nnl. behoudens éénmaal sommes bij Huygens. Daarom is de afl. van het — nnl. zeldzame — bijw. som niet boven twijfel verheven. Wellicht is soms rechtstreeks uit sommels, eventueel somtijds ontstaan met een vrij sterke reductie, die in een woord als dit wel begrijpelijk zou zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

soms bijv., met adverbiale s, van *som, Mnl. som, Os. sum = ergens iemand + Ohd. sum (Mhd. id.), Ags. id. (Eng. some), Ofri. sum, On. sumr (Zw. somma, De. somme), Go. sums: verwant met samen + Skr. samas = iem. ook, Gr. hamōs = hoe ook. Van hier somtijds, somwijlen (z. samen). De s kan aan samensmelting met het lidw. te wijten zijn: d(e) zomme, Mnl, die some = eenig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

soms: somtyds; Ndl. soms, met byw. -s uit som, kan redukv. wees v. Mnl. somtides/somtijts of v. sommes uit sommels uit Mnl. sommaels (som+ mael), vgl. Eng. sometime(s) en somewhile.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

soms ‘weleens’ -> Duits dialect soms, zoms ‘weleens’; Negerhollands som ‘weleens’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

soms* bijwoord van tijd: weleens 1777 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal