Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sommer

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sommer znw. m., mnl. sommer, somer, zomer ‘zware eiken balk’, vgl. ne. summer < fra. sommier ‘zware balk’ (sedert de 14de eeuw), overdrachtelijk uit ‘lastpaard’ vulg. lat. *saumarius’ < lat. sagmārius, afl. van sagma < gr. ságma ‘pakzadel’. Het woord voor lastdier werd ook overgenomen als mnl. somer, sommer, seumer, os. sōmari, ohd. soumāri, mnd. soumære, oe. sēamere.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sommer (zware eiken balk), nog niet bij Kil., wel bij Winschooten (1681). Evenals eng. summer “sommer” uit fr. sommier “id.”, identisch met sommier “lastdier, pakpaard” (voor de bet. vgl. bok, kraan); dit uit mlat. sagmârius, saumârius (> mnl. sômer, ohd. soumâri (nhd. säumer), os. sômari, ags. sêamere m. “id.”), een afl. van gr.-lat. sagma “pakzadel, lading”; dit ging eveneens in den vulgairlat. vorm met au in de germ. talen over. Kil. sommier (“vetus. Fland.”) “pakdier” uit ’t Fr.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sommer. Reeds mnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sommer m., gelijk Eng. summer, uit Fr. sommier =1. lastpaard (in die bet. schrijft het Eng. sumpter), 2. draagbalk, van Mlat. sagmarium (-is), een afleid. van Gr. ságma = last, pakzadel, verwant met ságos: z. saai 1. Hgd. säumer, Mnl. somer gaan rechtstreeks op Mlat. terug.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut