Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

solo - (het alleen zingen of spelen; partij voor solist); (alleen zingend of spelend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

solo zn. ‘het alleen zingen of spelen; partij voor solist’; bw. ‘alleen zingend of spelend’
Nnl. solo ‘stuk voor één persoon’ in 'k Las niet anders, als ... Soloos en Sonnaaten [ca. 1707; iWNT], ‘het alleen optreden’ in de “solo” van een yzere tang [1720; Weyerman], “Solo”, alleen of zonder hulp te speelen (bij kaartspel) [1751; Volte-spel], zingt ... solo [1880; WNT].
Als zn. een internationale term, als in Engels solo's en sonata's [1710; OED] en Frans soli [1703; Rey], ontleend aan Italiaans solo ‘alleen’ [begin 13e eeuw; DELI], zoals dat bijvoorbeeld voorkomt in sinfonie ... a violino solo e ... ‘sonates voor viool alleen en ...’ [1667; Picarta] of a solo ‘muziekstuk door één persoon uitgevoerd’ [1706; DELI], van Latijn bn. sōlus ‘alleen, verlaten’, een woord waarvan geen zekere etymologie bekend is. Aan het Italiaanse solo is ook het bijwoord solo ‘alleen zingend of spelend’ ontleend.
Lit.: J. C. Weyerman (1980), De Rotterdamsche Hermes; ingel. door A. Nieuweboer, Amsterdam, 59; Volte-spel (z.a., 1751), Kort en grondig onderwijs van het ... zeer vermakelyk volte-spel ..., Amsterdam, 70

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

solo [als zanger of speler alléén] {1782 als zn.; als bn. 1880} < italiaans solo [enkel, alleen, solo] < latijn solus [alleen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1solo bw.
Alleen.
Uit Ndl. solo (1782).
Ndl. solo uit It. solo.
D. solo (18de eeu), Eng. solo (1712), Fr. en solo.

2solo s.nw.
Alleenspel, alleensang.
Uit Eng. solo (1779).
D. Solo, Fr. solo.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

solo ‘als zanger of speler alléén’ (Italiaans solo)
solo- (Italiaans solo)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

solo ‘(als zanger of speler) alleen’ -> Indonesisch solo ‘alleen’; Minangkabaus solo ‘(als zanger of speler) alleen’; Sranantongo solo ‘alleen; vreemdgaan’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

solo bijwoord: als zanger of speler alléén 1782 [WNT] <Italiaans

solo vrijgezel 1991 [De Coster 1999] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

solo, vrijgezel; iemand zonder vaste levenspartner. → single*.

Het gaat goed met de solocafés, stijldansavonden en single clubs — steeds meer mensen scheiden steeds jonger. Solo’s gaan samen naar de film en ze eten, wandelen en dansen in groepsverband — op zoek naar iemand die dat allemaal overbodig zal maken. (Vrij Nederland, 16/03/91)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut