Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sollen - (met willekeur behandelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sollen ww. ‘met willekeur behandelen’
Mnl. sollen ‘met een kolfbal spelen, kolven’, eerst als afleiding: vidua Pieter Sollards ‘de weduwe van Pieter Sollard (= de soller)’ [1260; Debrabandere 2003], dan in sollen vp die halle ‘kolven in of bij de lakenhal’ [1285-86; VMNW], overdrachtelijk in elc ... gingher mede tsollen ... Also men doet met enen balle ‘elke (duivel) ging ermee (bedoeld is: met de mensen) kolfspelen zoals men met een bal doet’ [1350; MNW-R]; vnnl. so ruyterlijck met hem sollen Dat elck lachen sal ‘zo stevig met hem dollen dat iedereen zal lachen’ [ca. 1550; WNT]; nnl. Met iemand ... te sollen, dat is hem voor den gek te houden [1805; WNT].
Ontleend aan de naam van een balspel dat in Noordwest-Frankrijk gespeeld werd, in het Middelfrans souler ‘zeker balspel spelen’ [1398; Godefroy], met varianten als soller, chouller, chouler, afgeleid van Oudfrans soule ‘houten of leren bal; spel met die bal’ [1174-77; TLF] (nu alleen nog in gebruik in Bretagne en Normandië), ook solle, choule e.d.
De herkomst van Oudfrans soule is onduidelijk. Franse etymologische woordenboeken (FEW, TLF) herleiden het woord tot Germaans *keula- ‘holte, boog, rond voorwerp’. Het Franse woord is dan wellicht ontleend aan Duits Keule ‘knuppel’ (zie ook → kogel), waarbij men wellicht de kolf waarmee men speelt en de bal door elkaar heeft verhaspeld.
Er is geen verband met het veel jongere woord → sjoelen, dat teruggaat op een Fries werkwoord voor ‘schuiven’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sollen [heen en weer trekken, willekeurig omgaan] {(t)sollen [kolven, een bal heen en weer werpen] 1285-1286; de betekenis ‘(spelenderwijs) heen en weer trekken’ 1655} < oudfrans soler [spelen met de kolfbal, kolven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sollen ww., mnl. sollen, tsollen ‘met de korfbal spelen; met iemand sollen’ (> fri. soale, soalje ‘gooien’). Ontleend aan ofra. soler, souler, choler ‘balspelen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sollen ww., mnl. sollen, tsollen “met den kolfbal spelen, sollen met iemand”. NB. in de laatste bet. o.a. Walewein 4860, met de toevoeging also men doet met enen balle. Uit ofr. soler, souler, choler “bal spelen” (van onzekeren oorsprong). Fri. soale, soalje “gooien” uit ’t Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sollen o.w., Mnl. tsollen, uit Ofra. so(u)ler, choler = bal spelen: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sollen, ww.: een koffiekransje houden na de geboorte, kraamfeestje houden. Wellicht met verschoven betekenis uit Mnl. tsollen, expressieve var. van Mnl. sollen ‘kolven, sollen’. De bet. gaat terug op ‘heen en weer rollen’. Uit Ofr. soler, souler, choler ‘balspelen’. Ook Fri. soale, soalje ‘gooien’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

tsollen (E, G, ZO), ww.: sollen, heen en weer sleuren (G), sukkelen, ziekelijk zijn (ZO), dolen (ZO). Wvl. tjolen, sjolen 'dolen, sukkelen, sollen'. Mnl. tsollen, expressieve var. van Mnl. sollen 'kolven, sollen'. De bet. gaat terug op 'heen en weer rollen'. Uit Ofr. soler, souler, choler 'balspelen'. Ook Fri. soale, soalje 'gooien'. Zie ook djol, djole, djool.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

tjolen (DB, D, I, K, O, P, R), sjolen (GG: Zwevegem), ww.: dolen, zwerven, sukkelen, aan de sukkel zijn, sollen (met). Zoals Mnl. tsollen, expressieve var. van Mnl. sollen ‘kolven, sollen’. De bet. gaat terug op ‘heen en weer rollen’. Uit Ofr. soler, souier, choler ‘balspelen’. Ook Fri. soale, soalje ‘gooien’. Zn. tjole, tjool, tjoolder.

tjolken (O), ww.: dolen, zwerven. Intensivum met k-infix van tjolen.

tjollen (0), ww.: sjacheren, bedrieglijk ruilen, handel drijven. Met expressieve tj < sollen.

tjotelen (DB, M, O, P), ww.: dolen, zwerven, slenteren, slaven, zwoegen; sollen. Uitbreiding (met infix) van tjolen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sollen (Oudfrans so(u)ler)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sollen, Mnl. tsollen, denom. van sol, tsol, ontleend aan ’t Mhd. zoll (spr. tsoll) = tol. Het woord w.d.z.: iets heen en weer draaien, als men met een tol doet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sollen ‘heen en weer trekken’ -> Vastelands-Noord-Fries sole ‘langzaam rijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sollen heen en weer trekken 1655 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal