Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

solist - (solozanger, solospeler)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

solist zn. ‘solozanger, solospeler’
Nnl. musici en solisten [1853; Leeuwarder Courant].
Ontleend aan Frans soliste ‘solist’ [1836; TLF], een afleiding van zn. solo ‘muziekstuk voor één instrument’ [1703; TLF] ontleend aan Italiaans solo. Ook denkbaar is invloed van Duits Solist ‘solist’ [1835; Schulz], een afleiding van het zn. Solo ‘solo’ [1726; Schulz], dat ook, al dan niet via Frans solo ‘id.’, ontleend is aan Italiaans solo. Zie → solo.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

solist [die alleen uitvoert] {1926-1950} < frans soliste of < hoogduits Solist [idem], beide < italiaans solista, van solo [alleen] < latijn solus [idem].

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

solist ‘die alleen uitvoert’ -> Indonesisch solis ‘die alleen uitvoert’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

solist die alleen uitvoert 1872 [GVD] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut