Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

soldij - (bezoldiging van soldaten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

soldij zn. ‘bezoldiging van soldaten’
Mnl. van haerre soudeyen ‘van hun soldij’ [1326; Huyttens], van sijnresoldyen ‘van zijn soldij’ [1469; MNW], tzolt, tzoldey, tzoldij ‘soldij’ [1477; Teuth.]; vnnl. een' maent soldijs ‘een maand soldij’ [1638; WNT].
Ontleend aan Oudfrans soldee [1160], saudee [ca. 1165; FEW], met varianten als (Waals) soldeie [ca. 1200; FEW], dat ontstaan is uit middeleeuws Latijn solidata ‘soldij’, een afleiding van eveneens Laatlatijn sol(i)dus ‘massief gouden muntstuk’, zie → soldaat. Het woord zou eigenlijk als soldei gespeld moeten worden, zoals in 1477 vermeld.
In het Middelnederlands kwam soudie (met variante spellingen in de tweede lettergreep, zoals in de eerste attestatie) vaker voor dan soldie (met varianten). Hierbij is -ou- de klankwettige ontwikkeling van -ol- voor dentaal, zoals in → koud.
Lit.: J. Huyttens (1861), Recherches sur les corporations Gantoises ..., Gent, 113

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

soldij [wedde] {soldie 1469} van frans solde [idem] < italiaans soldo < latijn solidus [gouden munt] (vgl. soldaat).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

soldij znw. v., mnl. soldîe, soudîe, mnd. mhd. soldîe is een afl. van het oudere mnl. sout, solt, mnd. mhd. solt < fra. solde < ital. soldo < lat. solidus ‘gouden munt’. — Zie ook: bezoldigen.

Van het woord mnl. solt is afgeleid mnl. soudenaer, soldenaer, vgl. ook mhd. soldenære (nhd. söldner). Uit een mlat. solidārius ontstond ofra. soldier, waaruit mnl. soudier, mnd. soldēr (> onoorw. soldari), mhd. soldier, ne. soldier. Uit verb. van soldenaer + soldier ontstonden weer mnl. soudenier, mnd. soldenēr, mhd. soldenier. Een geheel eigen vorm biedt owfri. soldia. — Zie ook: soldaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

soldij v., Mnl. soldie, met suff. -îë uit Fr. solde, verbaalabstr. van solder, Mlat. soldare: z. soldaat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

soldy s.nw.
Loon wat aan soldate betaal word.
Uit Ndl. soldij (Mnl. soldie, soudie, soudi, souldie, zoudie).
Mnl. soldie, soudie, soudi, souldie, zoudie is 'n afleiding van vroeëre sout, solt, met lg. uit Fr. solde (1465) uit It. soldo uit Latyn solidus 'goue munt'. Latyn solidatus was die benaming vir 'n lid van die lyfwag van Konstantyn die Grote. Na jarelange waardevermindering van geld voer Konstantyn 'n volwaardige goudstuk in met die naam solidus, wat oorspr. 'massief, eg' beteken het; die keurtroepe word daarmee betaal en dit is hulle soldy.
D. Sold (12de eeu).
Vgl. soldaat, solidus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

soldij (van Frans solde)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

soldij loon van een soldaat 1469 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut