Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sokkel - (voetstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sokkel zn. ‘voetstuk’
Nnl. kolommen ofte pilaeren met zyne soclen (‘met hun sokkels’) [1778; WNT uitwerken], socle ‘voetstuk van zuil of borstbeeld’ [1832; Weiland], sokkel [1850; WNT zuil I].
Ontleend aan Frans socle ‘sokkel’ [1636; Rey], ook zocle ‘id.’ [1690; Rey], dat ontleend is aan Italiaans zoccolo ‘id.’ [1549; DELI], eerder al ‘soort schoeisel met houten zool’ [1348-53; DELI], dat teruggaat op Latijn socculus ‘lichte sandaal’, verkleinwoord van soccus, zie → sok 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sokkel [voetstuk] {1863} < frans socle [idem] < italiaans zoccolo [houten zool, klomp, voetstuk, sokkel] < latijn socculus [kleine schoen, sok (gedragen door komische acteurs)], verkleiningsvorm van soccus [idem] (vgl. sok1).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sokkel voetstuk 1850 [WNT zuil I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut