Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sok - (fijn)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. sok bn., (gemeenz. en scholierentaal) 1. goed, fijn, ’lekker’. Ik zeg niet dat je geen geweldige goochelaar bent, Mozes. Je bent een van de sokste die ik ooit gezien heb. Maar ik ben nog veel sokker. Dat is de hele zaak (Helman 1954a: 44). Hoe vind je deze griet, Nelis? - Sok jongen. Ze kon best een pèl* van de Koning zijn (Helman 1954a: 48). - 2. (verouid.) slecht, ’pet’. Zie Schoonhoven 154. - Etym.: Volgens Echteld (90) van S sok (met bet. 1) en dan misschien als volgt uit het E af te leiden: E sucks, sweets = snoepjes (om op te zuigen; S ’a sani sok’ = the thing is nice, sweet = dat (ding) is fijn, lekker. Bet. 2 sluit echter beter aan bij S soko, dat volgens Woordenl. SNE ’Afrikaans, primitief’ bet. NB: Teenstra (1835 II: 181) beschrijft bepaalde ingevoerde slaven als volgt: De Sokko-Negers zijn ongemeen dom, maar goedaardig en trouw; zij zijn niet sterk, maar de meeste zijn goede ruiters. Het lijkt mogelijk, dat het woord een betekenisverandering heeft ondergaan van 2 naar 1; dat is bij scholierentaal niet ongewoon. Zie ook: tof*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut