Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sok - (korte kous)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sok 1 zn. ‘korte kous’
Mnl. socke ‘muil’ [1240; Bern.]; vnnl. socken ‘sloffen, voetbekleding’ in Socken van cattoen, of sachter stof geweven [1635; WNT katoen I]; nnl. sok “Een bekleedsel der voeten, dat niet verder dan de enkels, reikt” [1810; Weiland], HEEREN-KLEEDINGSTUKKEN ... naar de nieuwste modellen ... vervaardigd ... Heeren Sokken (‘herensokken’) [1868; Leeuwarder Courant].
Ontleend aan Latijn soccus ‘kleine, Griekse schoen’, dat zelf ontleend was aan Grieks súkchos ‘lage schoen’, een leenwoord uit een mediterrane taal. In het Nieuwnederlands wijzigde de betekenis van ‘slof’ (vaak van wol of katoen) naar ‘korte kous’ onder invloed van Duits Socke ‘sok’ [16e eeuw; Pfeifer], in Noord-Duitsland tot in de 19e eeuw ook ‘slof’ (Paul), eerder al soc ‘sok’ [9e eeuw; Pfeifer], en van Engels sockes ‘korte kousen’ [1327; OED], eerder al socc ‘schoentje’ [ca. 725; OED]. De woorden in het Duits en het Engels zijn eveneens ontleend aan Latijn soccus.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sok1 [korte kous] {1805} < hoogduits Socke < latijn soccus [lage schoen, kleine laars] < grieks sukchos, uit een oude mediterrane taal afkomstig, waaruit ook baskisch oski [schoen], avestisch haza- [voetzool] (vgl. sokkel); het woord was al eerder in een andere betekenis direct uit het lat. geleend, vgl. middelnederlands socke, zocke, soc [muil, op de voet vastgebonden zool] {1201-1250} In de uitdrukking de sokken erin zetten [het op een lopen zetten] komt sok uit de jagerstaal, waar het betekent: het onderstuk van de achterpoot van de haas of het konijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sok znw. v., in de huidige bet. van ‘korte kous’ in de 19de eeuw < nhd. socke. Maar mnl. socke, soc betekent ‘muil, lage schoen van wol, vilt of linnen’; daarnaast ook de spelling zocke, die ook in nnl. dial. nog voorkomt (de verscherping van de z > s wordt wel toegeschreven aan de volgende dubbele tenuis, zoals ook in sop). Verder os. ohd. soc, oe. socc m. ‘een soort schoeisel’ on. sokkr is in de bet. ‘lage overschoen’ < oe. socc, in die van ‘vrouwenkous’ < mnd. sok ontleend. Deze woorden zijn vroeg overgenomen van lat. soccus, dat zelf teruggaat op gr. sýkchos, dat volgens Hesychius een phrygisch woord is; mogelijk stamt het uit een kaukasische taal, vgl. tsjech. ćaqe ‘schoen’ (J. Knoblauch, Die Sprache 4, 1958, 198-200).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sok znw. De nnl. bet. berust op du. invloed. Mnl. socke, soc (m.?) beteekent “muil (van wol, vilt, linnen), op den voet vastgebonden zool”. Nnl. dial. is de vorm met z, ook voor ’t Mnl. aan te nemen, zeer verbreid. De s wordt aan invloed van de kk toegeschreven (vgl. sop). Evenals ohd. os. soc (ck) m. “caliga, calicula, udo” (nhd. socke v. “sok”), ags. socc m. “een soort schoeisel” (eng. sock), on. sokkr m. “kous, sok” (deze bet. uit ’t Mnd. Mhd.) uit lat. soccus “een soort lage schoen”, dat via ’t Gr. uit een oostelijker taal komt. Op socculus, het demin. van soccus, gaat — via ’t It. — fr. socle “voetstuk, zuilvoet” terug > nnl. sokkel “id.” (ook in andere talen ontleend). — Sok “sukkel”, ook ndd. dial., = sok “kous”; met sukkelen in associatie getreden. Hierbij sokkerig bnw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sok v., gelijk Hgd. socke. Eng. sock, Fr. soc., uit Lat. soccum (-us) = lichte schoen. Sok = sukkel, is daarvan een overdracht; cf. dial. synon. kous.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zok (zn.) 1. sok 2. zeurkous; Nuinederlands sok <1805> < Duits Socke.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. sok (de, -ken), (ook.) 1. kous. - 2. paar sokken of kousen. - Etym.: (1) In SN worden ’kous’ (zie kous*, 1) en ’sok’, evenals in BN, als syn. gebr.; ook S kowsoe = kous, sok. AN kous = kledingstuk dat de voet en van het been minstens het onderbeen bedekt. AN sok = kledingstuk dat de voet en van het been hoogstens een deel van het onderbeen bedekt. (2) Zie de opm. onder schoen*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sokkie: kort kous; Ndl. sok (Mnl. soc(ke), “soort pantoffel”), wsk. onder Hd. invl. in bet. “kous”, vroeër “lang beenbekleding”, ong. = lers (q.v.), Hd. socke, Eng. sock, uit Lat. soccus, Gr. sukaos naas sukχos, “lae skoen” (bv. vir toneelspelers), mntl. v. Oosterse herk.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sok (verouderd) ‘muil’ (Latijn soccus); ‘korte kous’ (Duits Socke)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sok, van ’t Lat. soccus = halve laars, bij uitbreiding: halve kous. – Een sok (sufferd) behoort wellicht bij sukkelen, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sok ‘korte kous’ -> Noord-Sotho sokisi ‘korte kous’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe sokisi ‘korte kous’ (uit Afrikaans of Engels); Shona sokisi ‘korte kous’ ; Indonesisch sok ‘korte kous’; Papiaments † sok ‘korte kous’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sok korte kous 1805 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2101. Van (of voor) de sokken

wordt verbonden met verschillende werkwoorden en beteekent dan gewoonlijk ‘van de been’, ‘van de baan’, ‘onderstboven’. Vgl. van de sokken vallen, flauw vallen; van de sokken getimmerd, gedegradeerd (Woordenschat, 1098). In jagerstaal verstaat men onder sok het onderste deel van den achterpoot van een haas of een konijn, en wordt op de sokken zijn gebezigd in den zin van loopen van haas of konijnVan Ginneken II, 272.. Vgl. Sjof. 206: Een lange rij groote meisjes botsten tegen een jongen, die haast van de sokken struikelde; Menschenw. 337: Ksjt! ksjt! katjes... siste 'n kerel, slaon jullie de gaile medam veur de sokke; Het Volk, 15 Juni 1914, p. 1 k. 2: En dan wordt de arme Brummelkamp door Ter Laan met een kanon van de sokken geschoten; Jong. 217: Als ze (de aansprekers) niet nu en dan een verheuging hadden, zou de makkolie van het vak ze per saldo van de sokken helpen; Prikk. V, 23: In de kamer praat hij ze allemaal van de sokken; Nkr. III, 19 Aug. p. 4: Hij sloeg ze met een enkel woord gewoonweg van de sokken; Nw. School IV, 92: De heeren lieten zich er heusch niet uit 't veld of van de sokken slaan; Nkr. III, 1 Aug. p. 6: Nou ben ik drie-vierden gestorven, nou ben ik van de sokken geslagen; Speenhoff III, 77: Rijdt zoo'n gek je van de sokken; Lvl. 73: Zie zoo, ik heb 'n gezellig avondje van de sokken geslagen; Nkr. III, 5 Sept. p. 3: Ik ben een vent die twaalf slokkies rustig van de sokken slaat; De Telegraaf, 17 Dec. 1914 (avondbl.), p. 1 k. 2: Het geglij en gestruikel begint alweer. ‘Oppassen, dat niemand van de sokken gaat’; Nw. Amsterdammer, 30 Januari 1915, p. 9 k. 1: Ik heb. ze (soldaten) in kudden langs de straten zien slenteren, waar ze iedereen van de sokken liepen; Handelsblad, 6 Febr. 1915 (ochtendbl.), p. 1 k. 5: Overdag worden er in deze passage de boemelaars van de sokken geloopen door de haastigen; Speenhoff VI, 59: Vrijdags waai je van de sokken; II, 49: Maar de tram is van de sokken, het verkeer is niets meer waard; Nkr. V, 9 Dec. p. 4: Het helpt niet als je van gebrek haast van de sokken slaat; De Vrijheid, 28 Mei 1924, 2de bl. k. 2: We lagen allemaal van de sokken; fri. in flesse fen 'e sokken slean; immen fen 'e soallen lichte; fen 'e soallen reitsje (vallen); syn. van de been af zijn in Kippev. II, 374: Het geachte blad is totaal van de been af; syn. iets van de beenen slaan; zie V. Ginneken, De Regenboogkl. v. Ndl. Taal, 116: Er werd een rondje gegeven, we sloegen het handig van de beenen.

2102. Hij zet de sokken (er in),

d.i. hij maakt beenen, zet het op een loopen, zet er den pas in; ook: hij geeft zijn paard de sporen (Woordenschat, 1078); hij zet 'em of geeft 'm de sokken, fri. hy jowt 'm de sokken, hij geeft 'em katoen, hij is een en al ijver voor die zaak; hy sette de sokken der yn, hij ging aan den haal; geef hem de sokken! spoed u! pak aan! veeg 'em! raak 'em! Harreb. II, 281 a; Boekenoogen, 966; De Vries, 97: de sokken d'r in zetten, 't op een loopen zetten; Köster Henke, 64: sokken, hard loopen. De sokken zetten, hard loopen; Zandstr. 97: Ik veranderde heelegaar, zet' er de sokken in, hij me na; Jord. II, 330: As je nie gauw de sokke set, krijg je 'n pot op je wang; bl. 378: Ze had geen splint en nou zette het beest de sokken; Peet, 138; Handelsblad, 3 Maart 1922 (O), p. 5 k. 2: Zij wandelden heel bedaard; Mc. Kenna, de financier, en de minister Baldwin schenen er de sokken in te zetten. Vgl. het hgd. sich auf die Socken (oder die Strümpfe) machen; nd. sich up de scholappen geven; ook socken, gaan (vgl. bij ons in de 17de eeuw sokken). Voor de verklaring der uitdrukking vgl. men de syn. dial. uitdr. er de beenen in zetten, er den pas in zetten; vgl. no. 1338 en 2101.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut