Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

soes - (gebakje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

soes zn. ‘gebakje’
Nnl. Soesen hoe men die bakken zal [1746; Keukenmeid, 42], Soesen, of Choesen [1791; WNT].
Ontleend aan de meervoudsvorm choux van Frans chou ‘gebak’ [1549; Rey], een overdrachtelijke betekenis van chou ‘kool’, ouder chol [ca. 1175; Rey], ontwikkeld uit Latijn caulis ‘stengel, kool’, zie → kool 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

soes [gebak] {1791} verkorting van frans chou (à la crème) [kool, soes] < latijn caulis > kool1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

soes 1 znw. v. ‘luchtig gebak, vgl. oostfri. susje, naar alle waarschijnlijkheid uit fra. chou (à la crème). De verklaring als afl. van soezen of suizen is veel minder bevredigend (namen als nhd. wind als gebaksnaam, vgl. ook haagse wind zijn daarvoor geen voldoende steun).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

soes II (gebak), nog niet bij Kil. Ook oostfri. sûsje. Bij soezen, suizen? Vgl. dan du. wind als gebaknaam. De aarzelend voorgeslagen afl. uit fr. choux à la crême voldoet minder.

[Aanvullingen en Verbeteringen] soes II. Vgl. ook mnl. hoeren-dreet, oudnnl. nonne-fort, -veest (fr. pet de nonne) als naam van een licht gebak.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

soes II (gebak). Vóór ontl. uit fr. choux (à la crème) zou de spelling choes (1791) kunnen pleiten, maar dit kan ook een opzettelijk verfransende schrijfwijze zijn. — In het andere geval vgl. nog, behalve de bij v.Wijk Aanv. vermelde gebaknamen, haagse wind en vol-au-vent.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

soes v. (gebak), + Oostfri. susje: hetz. als het verbaalabstr. van soezen, dat = suizende wind, scheet; vergel. Hgd. synon. windbeutel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

soesie: gew. dim. (v. soes), soort koekie, poffertjie; Ndl. soes (vroeër ook choes) uit Fr. chou (mv. choux), “koolkop”; “roomkoekie” (wat soos ’n koolkop van vulsel opgeswel is).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

soes (van Frans chou à la crème)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Soes, van soezen of suizen, dus: winderig of opgeblazen gebakje, beantwoordende aan ’t Hgd. Windbeutel, letterlijk: windbuil, en ons vroeger: soeswind, vgl. „de zee wert door een klein koeltje besoest.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

soes ‘gebak’ -> Indonesisch soes ‘gebak’; Madoerees ēssūs, sūs ‘een koek’; Makassaars sûsi ‘gebak met krenten (gegleufd als tulband, maar kleiner)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

soes gebak 1791 [WNT]

Hosted by Meertens Instituut