Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

soepel - (buigzaam; meegaand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

soepel bn. ‘buigzaam; meegaand’
Nnl. in soepel en onderdanig ‘gedwee en onderdanig’ [1786; Corver], souple ‘lenig, toegeeflijk’ [1832; Weiland], de zoo soepele (‘meegaande’) Barthe [1867; Gids 1, 355], slank en soepel [1877; Gids 1, 25].
Ontleend aan Frans souple ‘inschikkelijk’ [1580; Rey], ook ‘buigzaam’ [1549; Rey], ‘soepel’ [ca. 1200; Rey], eerder ‘nederig’ [ca. 1175; Rey], daarvóór in de vormen suple [ca. 1170; Rey] en sople [ca. 1130; Rey], ontwikkeld uit Latijn supplex ‘nederig, smekend’, dat gevormd is uit sub- ‘onder’ en de stam van het werkwoord plicāre ‘vouwen’, dat verwant is met → vlechten. Het Latijnse woord verwijst naar de houding van de smekeling.
souplesse zn. ‘soepelheid’. Nnl. souplesse ‘gedweeheid, lenigheid, buigzaamheid’ [1847; Kramers]. Ontleend aan Frans souplesse ‘plooibaarheid’ [1636; Rey], eerder al ‘buigzaamheid’ [1611; Rey], ook supplesse ‘lenigheid’ [1508; Rey] en souppleces (mv.) ‘acrobatie’ [ca. 1265; Rey], een afleiding van souple.
Lit.: M. Corver (1786), Tooneel-aantekeningen, Leiden, 161

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

soepel [buigzaam] {1899} < frans souple < latijn supplex [neerknielend, deemoedig], van sub [onder] + -plex, van plectere (verl. deelw. plexum) [vouwen] (vgl. simplex). Door het aspect van onderdanigheid heeft men het woord wel willen associëren met placare [gunstig stemmen], ten onrechte echter.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

soepel bnw., eerst nnl. < fra. souple ‘buigzaam, meegaand’ en dit < vulg. lat. *supples voor lat. supplex ‘deemoedig’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

soepel b.nw.
1. Lenig, sag, buigsaam, veral van die menslike liggaam gesê. 2. (fig.) Maklik aanpasbaar, buigsaam in benadering.
Uit Ndl. soepel (1896 in bet. 1, 1932 in bet. 2).
Ndl. soepel uit Fr. souple uit Latyn supplex 'neerknielend, nederig onderworpe', met lg. van sub 'onder' en plex, met lg. van plectere 'vou'.
Eng. supple (ongeveer 1300).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

soepel (Frans souple)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

soepel ‘buigzaam’ -> Indonesisch supel ‘buigzaam; sociaal, sociabel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

soepel buigzaam 1899 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut