Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snuiven - (krachtig door de neus ademen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snuiven ww. ‘krachtig door de neus ademen’
Mnl. snuyven de nase ‘de neus snuiten’ [1477; Teuth.]; vnnl. snuyven, snoffen ‘door de neus ademen’ [1588; Kil.], ‘krachtig door de neus ademen’ in 't is gheen snuyven van een beest [1610-19; iWNT].
Wrsch. een klanknabootsend woord, dat behoort tot een grote groep West-Germaanse klankexpressieve werkwoorden met sn- met als gemeenschappelijk betekeniselement een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling. In het Nederlands zijn dat bijv.snakken, → snateren, → snikken, → snoeven, → snuffelen, → snuiten, → snurken, en zie verder nog → snorkel, → snot en → niezen. Hiermee in nauw semantisch verband staat de onder → snavel genoemde groep zelfstandige naamwoorden voor ‘bek, neus e.d.’. Van al deze woorden zijn de meeste in het Nederlands pas in de 15e eeuw of later opgetekend, en in de andere West-Germaanse talen niet veel eerder.
Mnd. snuven ‘snuiten, snuiven’ (en door ontlening nzw. snuva); mhd. snūben ‘snurken, snuiven’ (nhd. schnauben ‘snuiven, briesen’, gewest. schnaufen ‘id.’); vne. snuff ‘snuiven’ (ne. snuff), me. sniff ‘id.’ (ne. sniff).
In het Nederlands wordt dit oorspronkelijk zwakke werkwoord sinds de 17e eeuw sterk verbogen (snoof, gesnoven) onder invloed van de sterke werkwoorden van de tweede klasse.
snuif zn. ‘fijngemalen tabak om op te snuiven’. Vnnl. Snoftoback ‘id.’ [1634; iWNT snuffen], Snuyf-Taback ‘id.’ [1641; iWNT]; nnl. snuif ‘id.’ [1735; iWNT]. Verkorting van de samenstelling snuiftabak, uit de stam van snuiven en → tabak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snuiven* [hoorbaar door de neus ademen] {snuven 1351} middelnederduits snuven, middelhoogduits snufen [snurken]; behoort bij de grote groep klanknabootsende met sn anlautende woorden als snavel, sneb, snip, snoek; de grondbetekenis ‘snijden, scherp’ demonstreert zich niet direct in ‘snuiven’, maar vermoedelijk indirect door het beeld van de neus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snuiven ww., mnl. snûven (zelden), mnd. snūven ‘snuiven, snuiten’, mhd. snūben ‘snorken’ (nhd. schnauben), nnoorw. dial. snūva. Daarnaast met andere cons. mhd. snūfen, nhd. schnaufen. Verder abl. mnd. snōve m. ‘het speuren, reuk’ ook ‘neusverkoudheid’, vlaams sneuve, snove ‘snauw’. Vormen met -pp- zijn mnd. snoppe ‘verkoudheid, snot’, mhd. snupf, snupfen m. v. (nhd. schnupfen) ‘verkoudheid’. Zeker ook on. snopa, snoppa ‘snuit’ en nhd. dial. schnaupe ‘snuit’. — Behoort met woorden als snuit en snoes tot een groep van woorden gevormd van een element *snu, waarvoor zie verder onder: snavel. — Zie ook snoeven en snuffelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snuiven ww., mnl. (zeldzaam) snûven. = mhd. (md.) snûben “snorken” (nhd. schnauben; hiernaast mhd. snûfen, nhd. schnaufen), mnd. snûven “snuiven, snuiten”, noorw. dial. snuva “snuiven”. Met ablaut mnd. snōve m. “het speuren, reuk” en (evenals snûve m.) “neusverkoudheid”, vla. sneuve, snove “snauw”. Zie verder snuffelen. Met pp: mhd. snupf(en) m. v. “verkoudheid” (nhd. schnupfen), mnd. snoppe “id., snot”. Met p en pp ohd. snoffizen, snopfizen “snikken”. Hierbij ook on. snop(p)a v. “snuit”? Wsch. is de basis snuf-, snuƀ- (snup-) “snuiven” jong en onomatop. Wel kan hiernaast een oudere basis snuf-, snuƀ-, snupp- < idg. snup-n- “snotteren” (hoogerop met snuiten verwant) bestaan hebben: vgl. vooral ags. snofl “snot”. Een oudere basis voor “snuiven” schijnt germ. snū̆ð- geweest te zijn (zie bij snuiten). Zie nog nuf, snauwen, snoeven. Desnoods zouden we een germ. basis snu- “blazen, snuiven” kunnen aannemen en die als een vervorming van fnu- < idg. pnu- (zie fniezen) of uit s-pnu- verklaren: hoogst onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snuiven o.w., + Hgd. schnauben. Een reeks verwante wortels: sneu (z. snauwen), sneut (z. snuit, snuiten). sneuƀ (snuiven, snoepen, wellicht ook sneb, snavel), sneul (z. snollen 1) en sneus (z. fniezen, snoes, snorren, snorken) komen voor om neus, bek. enz., met hunne geluiden en bewegingen aan te duiden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snouve (ww.) snuiven; Middelnederlands snuyven <1477>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

snuiven (snoof, heeft gesnoven), opsnuiven van tabaksap als genieting. De volgende morgen, vóór het vertrek, gaven wij van onzen eigen voorraad nog wat zout en tabak aan de negers, daar zij in de laatste dagen niets meer te snuiven hadden gehad. () Dit doen zij echter op eene eigenaardige manier: in een blikje, dat zij steeds bij zich hebben, wordt de tabak met een weinig water gekneusd en daarna uitgeperst, het vocht wordt in de palm van de hand opgevangen en dan opgesnoven (Bakhuis 105). - Etym.: S snoifi. AN s. = snuif, d.i. fijngemalen zeer prikkelende tabak, opsnuiven als genieting; komt niet meer voor. - Opm.: Het SN s. wordt alleen gedaan door Bosnegers*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snuf: reuk; vermoede (diei. d. neus kry); Ndl. snuf/snof (by Kil reeds snof/snuf by snoffen/snuffen), Eng. sniff/snuff; die ww. vorme Ndl./Afr. snuffel(en), Hd. schnüffeln, Eng. snivel kan as intens. of frekw. vorme uit ouer snuiven afkomstig wees, almal hou verb. m. Mnl. snūven, Hd. schnauben, schnaufen, schnupfen en Afr. snuif.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snuiven, de Germ. wt. snup, snuf, snub is een klanknabootsing van het geluid met den neus gemaakt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snuiven ‘hoorbaar door de neus ademen’ -> Negerhollands schnauf ‘hoorbaar door de neus ademen’ (uit Nederlands of Duits); Papiaments sneif ‘hoorbaar door de neus ademen; opsnuiven’; Sranantongo snoifi ‘hoorbaar door de neus ademen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snuiven* hoorbaar door de neus ademen 1351 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut