Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snuiter - (instrument voor het bijknippen en doven van kaarsenpitten; zonderling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snuiter zn. ‘instrument voor het bijknippen en doven van kaarsenpitten; zonderling’
Mnl. snutter, snuter ‘instrument voor het verkorten van een kaarsenpit’ in snutter tot den kerssen [1477; Teuth.], een snuterken [1494; MNW], Drie silveren keerssnuyters [1524; MNW]; nnl. snuiter ook ‘iemand die kaarsen snuit’ [1839; Gids], ‘onbetekenend persoon, zonderling’ in zonder deze deugd zijt gij ... een “rare snuiter” [1871; Gids], Met walging wenden we ons van zoo'n snuiter af [1872; Gids].
Afleiding van → snuiten in de betekenis ‘verkorten van de kaarsenpit’ met het achtervoegsel -er, zie → -aar.
Als voorwerpsnaam is het woord al oud. Bij het snuiten van kaarsen wordt een stukje van de verbrande pit verwijderd om rook- en roetvorming te voorkomen. Dat gebeurde met een snuiter, gewoonlijk een soort schaar waaraan een opvangbakje was bevestigd. Met de jongere kaarsenmaaktechniek werd het eigenlijke snuiten, en dus de schaar, overbodig, maar een metalen bakje aan een steel, waarmee een kaars wordt gedoofd zonder rookontwikkeling, wordt nog steeds een snuiter genoemd.
Het snuiten van kaarsen was een onbetekenende handeling, zodat het bijbehorende nomen agentis snuiter de betekenis ‘onhandig persoon’ kon krijgen, en bij uitbreiding ‘onbenul, zonderling’ (EWA), vergelijk → bengel en → knuppel. Het woord wordt meestal gecombineerd met rare of vreemde.
Snuiter in de betekenis ‘iemand die de neus snuit’ is hoogst ongebruikelijk; dat snuiter ‘zonderling’ hierop terug zou gaan en vergelijkbaar is met snotneus ‘onbenul’ (WNT), lijkt dan ook onwaarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snuiter* [kwant] {na 1950} vermoedelijk van het ww. snuiten in de oude betekenis van ‘geld afzetten’ en dan dus eig. ‘bedrieger’, vgl. engels he made me pay through the nose, he has nosed me, vgl. ook snotneus, eerder van snuiten in de betekenis ‘kaarsen snuiten’ d.w.z. pitten afsnijden, vgl. ‘een klant scheren’ → snuit1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snuiter znw. m., als voorwerpsnaam mnl. snûter, snuyter ‘kaarssnuiter’. Of de bet. ‘rare persoon’ hetzelfde woord is, staat te bezien; eerder moet men naar analogie van snotjongen, snotneus denken aan een nom. agentis bij snuiten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snuiter znw. Als voorwerpsnaam al laat-mnl. Op personen toegepast ’t zelfde woord in overdr. bet. (vgl. bengel e.dgl.); er is geen reden om een oudere bet. “bedrieger” aan te nemen en van snuiten “bedriegen, afzetten” uit te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

snuiter s.nw.
1. Skêr met 'n bakkie daarop om die verbrande pit van 'n vetkers af te knip. 2. Iemand wat 'n kers snuit. 3. Onbenullige, onnosel en meestal jong persoon.
Uit Ndl. snuiter (1587 in die vorm snutter in bet. 1 en 2, 1872 in bet. 3), maar in bet. 3 egter net 'eienaardige, ondeunde, verdagte en meestal jong persoon', dus is die bet. in Afr. verruim deur 'n groter negatiewe lading. Ndl. snuiter in bet. 1 uit snuiten (1587) 'snuit, blus' of snijder (Mnl. snider) 'snyer' n.a.v. die kerspit wat afgesny word. Bet. 2 het as persoonsnaam uit bet. 1 ontwikkel. Ndl. snuiter in bet. 3 het uit snuiter in bet. 2 ontwikkel, so genoem omdat dit dikw. kinders was wat saans die kerse in die huis gesnuit het. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snuiter: 1. toestel om kerspit mee te knip; 2. jong mens; Ndl. snuiter, in bet. 1. soos Afr., maar bet. 2. ruimer (vgl. egter ook Ndl./Afr. snotneus v. pers.), v. verder snoet en snot.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

snuiter: (meestal voorafgegaan door rare of vreemde) zonderling mens; raar figuur; verdacht persoon. Bij voorkeur voor jonge personen gebruikt. Klinkt evenwel minder plat en onvriendelijk dan snotneus*. Syn.: rare chinees*; raar poteten*; rare sausneger*; rare snoeshaan*.

Es kijken, wat dat voor snuiters zijn. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
‘Verduveld rare snuiters, die eigenaars van dit schip.’ (Willy van der Heide, Avonturen in de Stille Zuidzee, 1950)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snuiter ‘kwant’ -> Fries snuiter ‘kwant’.

snuiter ‘kaarsenknipper’ -> Sranantongo snoitri ‘kaarsenknipper’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

krieltje [kleine, nieuwe aardappel] (1874). Krieltje was een van de nieuw beschreven woorden in het in 1874 gepubliceerde Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal van J.H. van Dale (1828-1872) – het woordenboek dat later later de Grote Van Dale genoemd zou worden. Het werd na de dood van Van Dale door zijn assistent Jan Manhave voltooid. Het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal was een bewerking van een ouder woordenboek, uit 1864, van de neven I. M. Calisch en N. S. Calisch, en geldt dan ook tegenwoordig formeel als de tweede druk van Van Dale. In dit woordenboek werden vele Nederlandse woorden voor het eerst lexicografisch beschreven, zelfs heel gewone woorden, zoals krieltje. Andere woorden die in 1872 voor het eerst werden opgenomen, waren: bullen (‘spullen’), dwarsbomen, gegeven (‘grootheid, bekend geval’), kantje (‘haringvaatje’), keihard , moeren (‘kapot maken’), muisjes (‘gesuikerde anijszaadjes’), nippertje, snuiter (‘kwant’) en uitentreuren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snuiter* kwant 1872 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2096. Een (vreemde, rare, brutale) snuiter,

d.i. een snoeshaan, een kwibus, een kwant, grappenmaker; een rare snijer (fri. in rare, frjemde snijer); vgl. o.a. Op R. en T. 30: Dat 's 'n eigengereide, brutale snuiter. Wellicht beteekent ‘snuiter’ eig. bedrieger als afleiding van het wkw. snuiten in den zin van iemand geld afzetten; vgl. het mnl. enen die nose snuten, iemand afzetten; Kiliaen: Snuyten, snutten, emungere pecuniis, fallere, deplumare, deglubere aliquem; Winschooten, 268: Snuiten beteekend ook iemand te veel gelds voor eenige waar af neemen: waarvan sij hebben ons gesnooten: sij hebben ons bij de neus gehad: emungere aliquem pecunia; Tuinman I, 23: Hy is gesnoten, dat is, bedrogen; Halma, 593: Snuiten, verschalken, bedriegen; Sewel, 734: Hy heeft my gesnooten, he has nosed (or rooked) me; he made we pay through the nose; Rutten, 210: afsnuiten, ontnemen; iemand snutten, iemand zijn geld afwinnen of bedriegen; Schuermans, Bijv. 311 a: snutten, snuiten, 't zelfde als vastnemen, te veel doen betalen, bedriegen (Antw. Idiot. 1145. Vgl. voor denzelfden overgang van afzetten tot bedriegen het wkw. vlooien, dat in de 17de eeuw voorkomt in den zin van iemand van zijn geld berooven en thans nog in Zuid-Nederland bedriegen, foppen beteekent (Rutten, 262 a; Schuerm. 823 a). Ook in het hd einen ums Geld schnäuzen, iemand geld afhalenFranck-v. Wijk, 636 ziet in snuiter een overdracht van snuiter, voorwerpsnaam, dus kaarsensnuiter, en vergelijkt bengel (zie no. 201).; fri. immen snute, iemand afzetten; barsch terecht wijzen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut