Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snugger - (schrander)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snik 1 bn. ‘wijs’
Nnl. en ons voor niet snik verklaaren [1787; iWNT], 't Is een rare hoor ... ik hou hem voor niet goed snik [1904; iWNT].
Herkomst onbekend. Misschien een nevenvorm van de onder → snugger genoemde woorden.
Het woord komt vrijwel alleen voor in combinatie met goed in een ontkennende context, meestal met niet.

snugger bn. ‘schrander’
Vnnl. snoggher, snuggher ‘sierlijk, bevallig; schrander, bijdehand’ (met de indicatie “Hollands”) [1599; Kil.], 't galmen ... van boll' of snoggre snaer ‘het luid klinken van dikke of fijne (dunne) snaar’ [1627; iWNT], Waar d'oogen snogger kyken uit ‘waar de ogen schrander door naarbuiten kijken’ [1657; iWNT], een snogger Paard ‘een wakker paard’ [1691; iWNT]; nnl. wat ziet het snugger! [1773; iWNT].
Daarnaast staan dialectvormen als snugge, snokker, snukker ‘snugger’ en in het Nederduitse taalgebied snigger, snögger, snügger, snikker ‘slank, sierlijk, vlug’ en snig(ge), snüg(ge) ‘id.’. Het Fries heeft een verouderd woord snokker, snokkel ‘zindelijk, rein, wakker’ en het Engels snug ‘ordelijk, behaaglijk’. De herkomst en onderlinge verhouding van al deze woorden is onbekend. NEW wil de woorden aanknopen bij de groep zelfstandige naamwoorden met anlaut sn- voor ‘spits vooruitstekende kop of bek’, waarvoor zie → snavel; de betekenis is dan vergelijkbaar met die van een scherp verstand, Engels a keen mind. Zie ook → snik 1.
Noord-Germaanse overeenkomstige woorden als on. snøggr ‘snel’ (nno. snøgg) gaan terug op pgm. *snauw- en kunnen niet rechtstreeks samenhangen met de West-Germaanse woorden; ook onderlinge ontlening is onwaarschijnlijk (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nugger* [schrander] {1872} nevenvorm van snugger.

snik3* in de uitdrukking niet (goed) snik [niet goed wijs] {1787-1789} waarschijnlijk verwant met snugger.

snugger* [schrander] {snoggher, snuggher 1599} fries snokker [zindelijk, wakker], nederduits snigger, snögger [sierlijk], oudnoors snǫggr [kortharig, snel]; daarnaast ook nederlands snik (in niet goed snik); behoort tot de met sn anlautende groep woorden met de grondbetekenis ‘snijdend, scherp’, waarvan snip, snijden, snuffelen voorbeelden zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snugger bnw. sedert Kiliaen snoggher, snuggher (Holl.) ‘sierlijk, levendig, verstandig’, nnl. dial. snugge (kampens) ‘snugger’, snokker, snukker (zaans) ‘vaardig, snugger’, nnd. snigger, snögger, snikker ‘slank, sierlijk, vlug, flink’, fri. snokker ‘zindelijk, net, fris, levendig, wakker’, oostfri. snikker, snigger, snügger, ook snig(ge), snüg(ge) ‘slank, sierlijk, vlug, glad, snugger’, ne. snug ‘aangevlijd, veilig geborgen, klein en lief’. — Noordgerm. heeft overeenkomstige woorden als on. snøggr ‘snel’, ook snǫggr, die echter op germ. *snau̯u̯- teruggaan en niet rechtstreeks met de westgerm. woorden kunnen samenhangen; overname uit het skand. is echter weinig waarschijnlijk. — Zo moeten wij wel aanknopen aan de groep van woorden, die met sn- beginnen, waarvoor zie: snavel.

De vormen van het woord duiden op het sterk affectief karakter van het woord; vgl. vooral de -gg-. Daarnaast nog ouder-nnl. snoeker ‘wakker, vaardig, snugger’, nnl. dial. (zuid-bevelands) snoek ‘helder, fris’. Dit kan wijzen op formele verbinding met de groep van snoek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snugger bnw., sedert Kil.: “snoggher, snuggher. Holl. Gracilis, iunceus, exilis corpore: tenuis et agilis”. Dial. (om Kampen) ook snugge “snugger” en (Zaansch) snokker, snukker “vaardig, snugger” = fri. snokker (snokkel) “zindelijk, net, rein, frisch, levendig, wakker”. Vgl. ook snik bnw. Ndd. komen o.a. sniġger, snikker, snögger “slank, sierlijk, vlug, flink” voor, oostfri. snikker, snig(ge), snüg(ge), snigger, snügger “id., glad, snugger”, eng. snug “tegen iets aangevlijd, dicht, goed en veilig geborgen, klein en lief”. Vgl. nog zuidndl. dial. snuig, hagelandsch snuëg “wakker, flink, snugger”. Oorsprong onzeker. Men denkt aan verwantschap met nhd. schniegeln “opsmukken”, dat echter een jong, etymologisch niet klaar woord is met de oudere bet. “kammen, ’t haar opmaken”. De veelheid van vormen wijst er op, dat snugger een oorspr. locaal beperkt woord was, dat zich heeft verbreid en met andere woorden in associatie getreden is (o.a. met snikken, snocken). Ngerm. oorsprong is a priori niet wsch.; anders zouden we van noorw. snøgg “vlug, flink”, on. snøggr “vlug” kunnen uitgaan. Ouder-de. snyg, de. dial. snøg, snøk “glad, net, fijn”, noorw. dial. snøgg “net, bevallig”, zw. snyg “rein, frisch, flink” worden uit ’t Ndd. afgeleid. De bett. der geciteerde wgerm. woorden wijzen echter op onderlinge identiteit van al deze ngerm.: dan wordt ontl. uit ’t Ngerm. minder onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snugger. Met ander vocalisme hierbij nog snoeker (Oudaan) ‘wakker, vaardig, snugger’, Z.-Bevel, snoek ‘helder, fris’, waarin men geen oe < û (vgl. kroes II Suppl.) behoeft te zien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snugger bijv., Kil. snuggher + Ndd. snögger, snigger, snikker, Hgd. schniegeln (= poetsen). Eng. snug, On. snøggr (Zw. snägger, De. snøg) = zuiver: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snugger, afl. van een w.w., waarvan de wt. snug (met bijvormen snig, snik) „glad zijn” bet.; vgl. ’t Hgd. schniegeln: de haren gladstrijken. Snugger beantwoordt dus in fig. zin aan ons glad: een gladde vent. – De bijvorm komt voor in ons snik: „hij is niet goed snik.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snugger ‘schrander; (verouderd) sierlijk, bevallig, fijn, vlug’ ->? Engels snug ‘zeewaardig, behaaglijk, goedpassend, ordelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snugger* schrander 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2090. Hij is niet goed snik,

d.w.z. hij is niet wel bij zijn hoofd, niet sneech (17de eeuw), een halve gedraaide of een halveslag (Zuidndl.). ‘Snik’ is synoniem, wellicht ook verwant met snugger, dat vroeger ook fijn beteekende; vgl. het oostfri. snig, snigge(r), snikker, glad, sierlijk, fijn, verstandig; het noorw. snögg, vlug, flink; zweedsch snygg, rein, zuiver, lief, fijn; de. snyg, glad, net, fijn; in nd. dial. ook schnick. Zie Nkr. III, 19 Dec. p. 4; Mgdh. 304; Kalv. I, 154; Sjof. 182; Het Volk, 30 April 1914, p. 5 k. 3: Theo zei: Zeg, ouwe jongen, oome Bram, die is niet snik; De Arbeid, 4 Oct. 1913, p. 4 k. 1: In der tijd werd L. niet verward genoemd, maar getroebleerd, wat zoo wat hetzelfde beteekent. Op zijn spaansch noemen ze het mesjoggeHebr. meschuggâ, verbijsterd, gek; bij ons ook voorkomend als mesjoege, mesjogge(n) (o.a. Nkr. VIII, 4 Juli p. 4; Persl. 54; Barb 178; Zoek. 16; A. Jodenh. 4, 16, 20, 25, 27, 31); mesjoggaas (in Nkr. VIII, 18 Juli p. 3); mes(j)okke (in Nkr. II, 13 Dec. p 2); half-sjoeg (in Nkr. VIII, 3 Oct. p. 7); bësjokken (in Nw. School II, 202); sjoege geven (in Nkr. IX, 22 Mei p. 6), gekheid maken. Zie Köster Henke, 45; Günther, 95; V. Ginneken II, 79; Voorzanger en Polak, 211-212.. Ik geloof waarempel dat-i nog niet recht snik is of om het op z'n Hollandsch uit te drukken: een tik van den molen te pakken heeft; Ten Doornk. Koolm. III, 244 a; Franck-v. Wijk, 635; V. Schothorst, 201; Bouman, 99; Grimm IX, 1328; fri. net rjucht snik wêze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut