Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snuf - (reuk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snuf* [reuk] {1573, vgl. snof, snuf [verkoudheid] ca. 1483} behoort bij snuiven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snuf znw. v. ‘reuk, geur’, Kiliaen snof, snuf ‘snik, neusverkoudheid, het snuffelen, speuren’ en 1512 snof reeds ‘snot, neusverkoudheid’, waarnaast ±1483 snouf (Vocabularius Copiosus). — Zie verder snuffen. — Het woord snufje ‘modeartikel’ betekent ook eigenlijk ‘reukje’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snuf znw. In alle bett. één woord, behoorend bij ’t bij Kil. en reeds vroeger in de 16. eeuw voorkomende snoffen, snuffen “snikken, door den neus ademen, verkouden zijn, snuiven, snuffelen, speuren”. Kil. kent reeds snof, snuf “snik, neusverkoudheid, het snuffelen, speuren”, anno 1512 snof “neusslijm, neusverkoudheid”, Vocabularius Copiosus (± 1483) snouf “id.”. Misschien is snof, snuf ouder dan het ww. en direct van den stam snuf- (zie snuiven) gevormd. Aangezien de ww. snuffen en snuffelen eerst in de 16. eeuw voorkomen, is de formeel mogelijke verklaring: snuf van snuffen, dit van snuffelen — onzeker. Snuffelen kan direct van snuiven komen met klankwettige verscherping van de v vóór l: vgl. schoffel. Snuffelen is ook ndd. (> nhd. schnüffeln) en fri. Vgl. ook eng. to snivel “een drop aan den neus hebben, schreien” en ags. snofl “snot”, snoflig “verkouden” en eng. to snuff, sniff “snuiven, snuiten”. Laat-mnl. komt wel reeds die snuyffelen “katarrhale aandoeningen” voor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snuf: reuk; vermoede (diei. d. neus kry); Ndl. snuf/snof (by Kil reeds snof/snuf by snoffen/snuffen), Eng. sniff/snuff; die ww. vorme Ndl./Afr. snuffel(en), Hd. schnüffeln, Eng. snivel kan as intens. of frekw. vorme uit ouer snuiven afkomstig wees, almal hou verb. m. Mnl. snūven, Hd. schnauben, schnaufen, schnupfen en Afr. snuif.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

snuf In de betekenis ‘borrel’ in 1956 voor het eerst gevonden, in de verbinding een hap snuf. Deze uitdrukking werd door zeelieden gebruikt en zal zijn ontstaan onder invloed van een hap snert, een verbinding die in de 19de eeuw is gesignaleerd onder soldaten en mariniers voor ‘een glas jenever’. Men sprak ook van een hap scheepsgaren. Onlangs is in Noord-Brabant de borrelnaam snufke gehoord.
Snuf gaat terug op het werkwoord snuffen ‘onmatig drinken’, dat al in 1836 is opgetekend. Men zei ook hij is snuf of hij heeft een snuif op voor ‘hij is dronken’. In Oost-Vlaanderen zei men, om hetzelfde uit te drukken, snof of snuf zijn of een snuif(ke) ophebben. In het Engels wordt sniff ‘snuifje’ niet alleen gebruikt voor ‘cocaïne’, maar ook voor ‘slokje sterke drank’.

[Harrebomée 2:280; Herroem 101; Hoeufft 559; Nav. 47:58, & 49:131; Teirlinck 1908:1030-1031; WNT XIV 2429, 2432]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snuif, snuf ‘het snuiven’ -> Negerhollands snuf, snof ‘het snuiven, snuffen van verkoudheid’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1438. De lucht van iets (in den neus) krijgen,

d.w.z. iets vermoeden, lont ruiken (vgl. lat. odor, vermoeden); den reuk of den neus van iets krijgen; eig. iets beginnen te ruiken, den geur van iets in den neus krijgen, er de snuf van krijgen, een galg in het oog krijgen (17de eeuw). Vgl. Hooft, Brieven, 34: Ergens de lucht van scheppen, achter iets komen, te weten komen, welke bet. de lucht van iets hebben vroeger ook had; Winschooten, 146: Ik heb daar de lugt van weg, ik heb al kennis van die saak; Brederoo I, 220, vs. 213: de lucht krygen; zie verder Langendijk, Wederz. Huw. Bedog, vs. 362; Halma, 328: Hij kreeg er haast delugt van, il en eut bientôt le vent; Sewel, 463; Harreb. II, 39; Het Volk, 3 Maart 1914, p. 10 k. 4; Jord. 243: Als de menschen van de straat maar niets van slechte streken of onfatsoen in den neus snoven; hd. Wind bekommen; eng. to have s. th. in the wind; fr. avoir vent de qqch., hetwelk doet vermoeden, dat onze uitdr. eig. een jagersterm is, en zij het eerst gezegd is van den jachthond, die het wild ruikt (zie Vondel, Harpoen, 98; Huygens, Trijntje Corn. 552; Paffenr. 225: Syn oude leger-hond heeft nu de lucht verloren, de jacht is daer al uyt; Sewel, 463: De lucht van 't wild krygen, to smell out the game; Vondel, Elektra (ed. 1658), bl. 16: Maer als zy kryght een lucht, en rieckt dat broeder staet op 't komen); vgl. ook Waasch Idiot. 413: van iets lucht krijgen; het Westvl. op lucht liggen van iets, op iets geluimd zijn, er zin op hebben (De Bo, 355), dat te vergelijken is met Halma, 328: Ik heb daar geen lugt op, geen zin in (zie ook Winschooten, 146; Boekenoogen, 596); fri. hy krige er de lucht fen, vernam er iets van. Vgl. ook 17de eeuw den snof weg hebben; het fr. flairer en het eng. to scent.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3128,

2095. De snuf van iets (in den neus) hebben (of krijgen),

d.w.z. de lucht van iets krijgen, iets in de gaten hebben, mnl. iet smaken; iets in de neuze krijgen (De Bo), in de(n) snuf hebben (Joos, 85; Antw. Idiot. 1143), neuze, snuite hebben van iets (De Bo), in de gaten (neusgaten) krijgen, in het snotje hebben (Boekenoogen, 964; Nkr. I, 15 Sept. p. 2; V, 16 April p. 2; IX, 17 April p. 2; Schakels, 120: Hoor je 't kind? Die het 'm ook al in 't snotje); in den snuifer hebben (in Menschenw. 513); een snuf in den neus hebben (in Jord. II, 109); in 't snuitjen hebben (Antw. Idiot. 1144); eig. ‘de inademing van den reuk der dingen, of het genot van dien reuk’. Vgl. Hooft, Brieven, 271: Als hun (de paarden) de snof der stallen in den neus slaat; Warenar, vs. 102: Krijchtse de snof vande Pot mit ghelt inde neus, ick bin armer man as de ghevanghen slaven; Ned. Hist. 339; Mouf. 393; Pers, 419 a; 534 a; 606 a; Paffenr. 87: Den ouwe heeft de snuf al in den neus, en past op je handel naer ik merk; Sewel, 734: Hy heeft 'er de snuf van, he has the scent of it; het oostfri.: hê hed 't al in de snüf; hê hed d'r snüf fan kregen (Ten Doornk. Koolm. III, 249 a); in het nd. ook versnuff krigen; zie Grimm IX, 1385 en vgl. no. 1624.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut