Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snot - (neusvocht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snot zn. ‘neusvocht’
Mnl. dese reume es ereande vloet van snotte die uten hoofde comt. ... ende drupt nederwert ‘dit vocht is een soort van stroom van snot die uit het hoofd komt en naar beneden drupt’ [1351; MNW-P].
Mnd. snotte (en door ontlening nde. snot); ohd. snuzza (nhd. dial. Schnutz); ofri. snotta (nfri. snotte); oe. gesnot (me. snot(te), ne. vero. snot); alle ‘snot’, < pgm. *snuttán-, *snutnán-. Met één -t- staat daarnaast bijv. mnl. snoter ‘verkoudheid’ zoals in Eist dat die reume vliet ten nesegaten .b. den snoter ten nese ‘indien het vocht naar de neusgaten vloeit, veroorzaakt dat neusverkoudheid’ [1351; MNW].
Afgeleid van de wortel van → snuiten.
snotteren ww. ‘herhaaldelijk de neus ophalen’. Nnl. in Iemand, die langs de straet, en over al, loopt snotteren [1713; iWNT]. Nevenvorm van ouder snoteren ‘id.’ [1607; Kil.] onder invloed van snot. Snoteren (Middelnederduits en Middelhoogduits snoderen) is net als snot afgeleid van de wortel van snuiten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snot* [neusvocht] {snot(te) [snot, verkoudheid] 1351} middelnederduits snotte, oudhoogduits snuzza, oudfries snotta, oudengels gesnott; ablautend bij snuiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snot znw. o. m., mnl. snot, snotte m. o. ‘snot, verkoudheid’, mnd. snotte, mhd. snuz m. ‘neusverstopping’, ohd. snuzza ‘snot’, ofri. snotta, oe. gesnott (ne. snot), nnoorw. dial. nde. snot, alle vormen met affectieve -tt- naast mnl. snoter en met een -d- vgl. mnd. snodel, mhd. snudel, snuder. — Zie: snuiten en snotteren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snot znw. o. (de s. = “snotziekte, droes”), mnl. snot, snotte (m.?) “snot, verkoudheid”. = mhd. snųz, gen. snutzes m. “neusverstopping”, ohd. snuzza v. “emunctoria”, mnd. snotte m., ofri. snotta m., noorw. snott o. “snot”. Met één t ags. ge-snot (eng. snot) “id.”, Kil. snoter (al mnl.), snoteringhe (“Fland.”) “neusverkoudheid”. Ablautend met snuiten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snot o., Mnl. id. + Mhd. snuz, Eng. snot, De. id., Ofri. snotte: van denz. stam als ’t meerv. imp. van snuiten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snóts (zn.) snot; Middelnederlands snotte <1351> < Rienlands Schnötter.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

snot s.nw.
Slymerige vog uit die neus.
Uit Ndl. snot (al Mnl.) of gewestelike Eng. snot (1425 in die vorm snotte). Afr. snot en Ndl. snot is deur klinkerwisseling verwant aan Afr. snuit en snoet en Ndl. snuiten en snoet, maar voorts ook omdat Eng. snot eintlik 'wat uit die snoet loop' beteken.
Eng. snoter (950 in die vorm snot(t)er) 'verstandig' hou ook met snot verband, omdat daar blykbaar in die Germ. volksgeloof geglo is dat snot van die harsings af kom.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snot: neusslijm; Ndl. snot, dial. Eng. snot, eint. “wat uit d. snoet loop” – Oeng. snotor, “verstandig”, blb. omdat i. d. Germ. volksgeloof snot v. d. harsings af kom.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

snot. Berns (1993: 86) noemt krijg het snot! een Amsterdamse verwensing. Zij heeft niets meer met de letterlijke betekenis van snot te maken en drukt alleen boosheid uit, en betekent dus zoiets als ‘rot op, ik wil je niet meer zien, je kunt voor mijn part alle ellende ter wereld krijgen’.

snot-. Snot- wordt gebruikt als eerste lid in bastaardvloeken. Het element is een verzachte vorm voor God. De milde vloek en de uitroep doen, net als pot-, dienst om schrik, verbazing, verontwaardiging, irritatie, woede enz. bij het zien of vernemen van iets ergerlijks, ontzettends, verbijsterends, ongehoords, frustrerends enz. uit te drukken. Ik noem hier o.a. snotdomme, snotdorie, snotdosie, snotjandoppie, snotsie, snottomme.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snot ‘neusvocht’ -> Engels snot ‘verkoolde pit van kaars; (vulgair) neusslijm’ (uit Nederlands of Nederduits);? Deens snot ‘neusvocht’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snot* neusvocht 1351 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1536. Met den mond vol tanden staan (of zitten),

d.w.z. niets zeggen ter verdediging, geen woord kunnen uitbrengen, beteuterd zijn; syn. voor snot en vuile boter staanN. Taalgids XIV, 250.; eig. alleen tanden en geen tong hebben. Sedert de 17de eeuw bekend; o.a. te vinden in Com. Vet. 85: Daer staen wy dan en kijcken met een mondt vol tanden; Smetius, 243: Daer stond hy met den mond vol tanden; De Brune, Bank. II, 286; Menschen, die zoo tael-blood zijn, dat ze met de mond vol tanden, maer zonder tonge staen en kijcken; en vgl. P.C. Hooft, Warenar, vs. 1011, het komische: O die kan immers kallen ofser tangt vol mongden hadt. Zie verder Van Moerk. 240; Tuinman I, 312, waar als synoniemen worden opgegeven hy staat, als of hy een een lap in den mond had; als of hy den mond vol bry had; Halma, 263: Met zijnen mond vol tanden staan kijken, être tout honteux, n'oser lever les yeux; Harreb. II, 99; Villiers, 81; M. de Br. 66; Prikk. V, 11; Ndl. Wdb. IX, 1059; het oostfri. hê steid mit 'un mund ful tanden; het Friesch: hy sit mei de mûle fol tosken; Jongeneel, 94; De Bo, 1132: met zijnen mond (of zijne toote) vol tanden staan; Antw. Idiot. 1220; 1905; Waasch Idiot. 443 b; 721 b. Bij Ogier, 8: Die staet en siet met het Backhuys vol tanden.

1819. Hij stond te kijken als Piet Snot,

d.w.z. hij stond er bedremmeld, beteuterd te kijken, als ‘een snyer, die zyn naald verloren heeft’, als een poelsnip, als verdomde Louis (Harreb. III, XLII), als Jan Lul (in D.H.L. 4), als Pier Snot (17de eeuw); eig. als een snottige Piet, een snotjongen, een snotolf (Tuinman I, 311). In de 17de eeuw vinden we deze zegswijze in De Wynoegst (anno 1698), 53; vgl. ook Bierh.Het Leydze Bier-huys, boertig kluchtspel door Abraham Stokhuyzen, Leiden 1758., 12: Hoe onnoozel staat hy daar als Piet snot met zyn mond vol tanden; Spaan, 160; Langendijk, Don Quichot, vs. 709: Gut, kereltje, gy zult staan kyken als Piet snot; Molema, 339: stoan as pijtsnöt; Nkr. III, 3 Oct. p. 3; Lvl. 193: Ik laat me niet voor piet snot gebruiken; Sjof. 170; Zevende Gebod, 42. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 960: staan zien gelijk Piet Snot, onnoozel staan te kijken; het Westvlaamsche: kijken lijk Liefke Snot (De Bo, 519 b); Waasch Idiot. 193: met 'nen drupneus staan, teleurgesteld zijn, bedrukt kijken; in Twente: as nen snotleppel; fri. stean for pyt-snot; joodsch: rotser, rotsjongen, rotsneus, rotslepel (Zoek. 61; 138; Ndl. Wdb. VIII, 3088), kwajongen (van rots (mhd.), snot); syn. staan te kijken als Lamme Louis (in Nw. School IV, 208Toespeling op den ‘lammen koning’ van Holland, Louis Bonaparte..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut