Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snorren - (een brommend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snorren ww. ‘een brommend geluid voortbrengen; zich met een brommend geluid voortbewegen’
Vnnl. snorren, snarren ‘gonzen, ruisen e.d.’ [1588; Kil.], in soo maecken sy groot gheraes, ende ligghen en snorren ende en preutelen tot dat sy doodt zijn (over vissen) [1602; iWNT], ‘snorrend voortgaan’ in hoe me ghedachten daer soo duer me kaer snorden [1612; iWNT], Hoe slaapt en snort (‘snurkt’) die fotze Vent! [1685; iWNT]; nnl. Hoe vaardig snordze, met vier rossen, ons voorby! (over een rijtuig) [ca. 1710; iWNT vaardig].
Algemeen West-Germaans klanknabootsend woord, aansluitend bij ouder → knorren en de grote groep woorden met sn- voor acties waarbij sprake is van een min of meer krachtige ademhaling en waarvoor zie → snuiven.
Mnd. snurren, snorren, snarren; mhd. snurren (nhd. schnurren), snarren (nhd. schnarren); nfri. snuorje, snoarje; me. snoren (ne. snore ‘snurken’); nzw. snurra; alle ‘een brommend enz. geluid voortbrengen’.
In combinatie met om en later vooral op kon snorren ook ‘(met een rijtuig?) speuren, snuffelen, zoeken’ gaan betekenen, zoals in vnnl. Hy snord' eens om, en vond ... ‘hij speurde eens in zijn omgeving ...’ [1659; iWNT omsnorren I] en nnl. dat ik nog iemand opsnor ‘... opzoek’ [1865; iWNT opsnorren], volk snorren ‘matrozen die te lang aan wal blijven, opzoeken om ze weer aan boord te brengen’ [1871; iWNT omsnorren I]. Hierbij ontstond misschien een nomen agentis snorder ‘rijtuigbestuurder die zelf zijn potentiële passagiers opspeurt’ (NN) zoals in Waar moet ik ze afzetten? vroeg de snorder [1888; Groene Amsterdammer] (bij uitbreiding later ook voor bestuurders van auto's en bromfietsen). Dit woord is in ieder geval beïnvloed door - maar, omdat het uitsluitend NN is, waarschijnlijker zelfs direct ontleend aan - Jiddisch sjnorren ‘bedelaar’, vergelijk Rotwelsch schnurrer ‘id.’, eig. ‘muzikant’, van Duits schnurren ‘snorren.’ Daarbij ontstond vervolgens weer een nieuw simplex snorren ‘taxidiensten verlenen’ zoals in dat L. de politieverordering had overtreden, door zich schuldig te maken aan het z.g. “snorren” [1925; Vaderland].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snorren1* [een brommend geluid maken] {1588} hoogduits schnurren, vgl. engels to snore [snurken]; ablautend bij snarren, klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snorren ww., sedert Kiliaen, mnd. snorren, snurren ‘brommen, morren, snorren, ratelen’, mhd. snurren (nhd. schnurren) ‘snorren, suizen, snel rijden’, vgl. ohd. snurring ‘clown, grappenmaker’. Een typisch klankwoord gebouwd op de consonanten sn,waarvoor zie: snavel en de rollende r. — Voor soortgelijke formaties zie: snarren, snars, snerken, snerpen, snerten, snirsen en snorken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snorren ww., sedert Kil.; in den Teuth. met de bet. “eten”. = mhd. snurren (nhd. schnurren) “snorren, suizen, snel rijden”, mnd. snorren, snurren “brommen, morren, snorren, ratelen”. Hierbij laat-ohd. snurring m. “clown, grappenmaker”, met één r eng. to snore “snorken”. Ablautende vormen bij snars. Wsch. is de basis onomatop. (vandaar de ruime bet.-sfeer, vooral in de jongere taalperioden) en jong: oerverwantschap met lit. snarglỹs “snot” (in dat geval formantisch met snorken te vergelijken) is dus zeer onzeker. Zie nog nar, snars, snert, snirsen, snor, snorken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snorren ono.w., + Hgd. schnurren, schnarren, Eng. to snore, to sneer, De. snœrre: onomat. en denomin. van snor: z. snorbaard en snuiven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2snor ww.
'n Brommende geluid maak, of met so 'n geluid voortbeweeg.
Uit Ndl. snorren (1630), wat klanknabootsend gevorm is.
D. schnurren (13de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snorren: denom. van snor = snuit, neus; dus: een snuivend geluid maken, als de kat doet. (Volgens ’t volksgeloof zetelt het snorrend, spinnend geluid van de kat in de snorharen; knipt men ze af, dan kan ze niet meer snorren.) Versterking is: snorken, snurken; ’t eerste óók: pochen; zie Snoeven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snorren* een brommend geluid maken 1588 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut