Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snor - (vogelsoort)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Siberische Snor Oudere N naam voor de Siberische Sprinkhaanzanger ↑.

Snor Locustella luscinioides (Savi: Sylvia) 1824. Deze bij ons in het Riet broedende ‘Zanger’ is genoemd naar de snorrende zang die de vogel voortbrengt (het “wekkertje”; zie sub Wekkerke). De naam is zo treffend dat hij wel uit het volk zal zijn voortgekomen i.t.t. de vroegere naam Nachtegaalrietzanger. Deze laatste, evenals de wetenschappelijke naam, zal ongetwijfeld zijn voortgesproten uit de overeenkomst in verenkleed met de Nachtegaal, niet uit de overeenkomst in zang. Zowel uit de N als uit de E naamsgeschiedenis van deze vogel blijkt dat de plaatselijke bevolking de vogel eerder kende dan de wetenschap. Schlegel 1852 en 1858 vermeldt de soort als “Nachtegaal-rietzanger” (in 1852 nog cursief, als teken van nog provisorisch karakter en verder: “Langs de Maas broeijende waargenomen en door den Heer Bädecker aan het Rijks Museum gezonden. Zeer zeldzaam.”) maar in 1860 heet het: “Het voorkomen in ons land van den Snor of Nachtegaal rietzanger (Calamoherpe luscinoides), een vogel uit het warme Europa, is te merkwaardiger, daar hij aan de oevers der Maas broedende aangetroffen wordt, en op sommige plaatsen zelfs zoo algemeen, dat het volk hem den naam van Snor heeft gegeven.” (Jaarboekje Artis). Lockwood 1993: “Savi’s Warbler. This species was identified ornithologically in the Fen district in 1840, though it was already known. to the fenmen as NIGHT REELER.”
Ondertussen is Snor ook een ‘achternaam’ geworden: bijv. in Siberische Snor ↑ en Grote Snor Locustella fasciolata (Gray). – Fries Snilekrûper, zie aldaar.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

SNORLocustella luscinioides
Duits Rohrschwirl
Engels Savi’s Warbler
Frans Locustelle luscinioïde
Fries Snilekrûper
Betekenis wetenschappelijke naam: op nachtegaal gelijkend sprinkhaantje. Hoewel de Snor ogenschijnlijk veel weg heeft van een Kleine Karekiet, is het verschil met deze soort goed vast te stellen aan de hand van z’n geluid, een langgerekte lage triller; door sommigen vergeleken met het snorrende geluid van een wekkertje of spinnewiel. Vroeger werd deze rietbewoner Nachtegaalrietzanger genoemd, een naam die vermoedelijk aan de Latijnse naam is ontleend en betrekking heeft op de nachtegaalachtige roodbruine kleur van de rug. De huidige naam is afkomstig uit de omgeving van Rotterdam waar de Snor in de 19de eeuw voor het eerst in het riet van de Kralingse Plassen werd waargenomen; zo is deze van oorsprong plaatselijke naam ‘gepromoveerd’ tot algemene benaming van de soort. Een andere naam is Donkere Rietzanger. In de Friese naam worden met het element ‘snile’ de lintvormige bladeren van waterplanten (zoals lisdodde) aangeduid, een duidelijke verwijzing naar het in moerassige rietvelden liggende broedgebied. De Engelse naam is een eerbewijs aan de Italiaanse natuuronderzoeker dr. Paolo Savi (1798-1871).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut