Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snor - (haar op de bovenlip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snor 1 zn. ‘haar op de bovenlip’
Nnl. Terwijl hij ... een zijner snorren in een zijner neusgaten poogde te steken [1844; iWNT], Hij laat ... zijn snorren staan [1855; iWNT staan].
Wrsch. een verkorting van snorbaard ‘haargroei op de bovenlip’ [1838; Gids], dat is ontleend aan Nederduits snurbaard ‘snor’ [1770; Kluge21] en/of het daaraan ontleende Hoogduitse Schnurrbart ‘id.’ [18e eeuw; Kluge21]. De korte Duitse -u- bestaat voor r niet in het Nederlands en werd overgenomen als korte -o-. Het tweede lid is → baard. Het eerste lid is Nederduits snurre ‘snuit’, dat hoort bij de onder → snavel besproken groep woorden voor ‘bek, snuit’. Het woord duidde dus het baardhaar op de snuit aan, in contrast met het baardhaar onder de mond.
Wrsch. maakte het woord zijn intrede tegelijk met een nieuwe snorrenmode. Het heeft het oude woord knevel vrijwel geheel vervangen. De 19e-eeuwse snor werd aanvankelijk als tweevoudig object beschouwd en men sprak dan ook van (zijn) snorren ‘de twee helften van zijn snor’, naar analogie van bijv. wangen en bakkebaarden. Later, ongetwijfeld eveneens onder invloed van de mode, beschouwde men het haar op de bovenlip als eenheid en begon men het enkelvoud snor te gebruiken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snor1 [haar op de bovenlip] {1844} van hoogduits Schnurrbart, van Schnurre [snuit, muil]. Voor de uitdrukking dat zit wel snor [dat zit wel goed] vgl. dat heeft ponum [gezicht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snor znw. v., eerst in de 19de eeuw < snorbaard verkort en dit uit nnd. snurbārd (sedert 1770) en vandaar met de toenmaals vooral in het leger heersende baardmode > nhd. schnurrbart. Het 1ste lid is nnd. snurre ‘snuit’, een typisch voorbeeld van de reeks met sn- beginnende woorden, waarvoor zie: snavel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snor (snorbaard), eerst later-nnl. Verkorting van snorbaard; dit uit ndd. snurbārd of uit ’t daaruit ontleende nhd. schnurrbart m. Het 1. lid is ndd. snurre “snuit” = opperdu. schnurre “id.”. Dit zal wel bij snorren (NB. Teuth. snorren “eten”, wsch. een secundaire bet., formeel = ndl. snorren) hooren evenals ndl. snor (vooral dial.) in andere bett. Vgl. voor de bet. nhd. schnauzbart m. “snor”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1snor s.nw.
1. Hare op iemand se bolip wat nie afgeskeer word nie. 2. Lang, stywe hare wat rondom die bek van bv. 'n kat of muis groei.
In bet. 1 uit Ndl. snor (1845 - 1856), 'n verkorting van snorbaard 'snorbaard'. Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. moustache (1605). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die samestelling Snor City (1987).
Vgl. D. Schnurrbart (18de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

snor (van Duits Schnurrbart)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snor(baard). Snoer is in ’t dialectisch Duitsch: neus, snuit; dus: de baard onder den neus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snor ‘haar op de bovenlip’ -> Sranantongo snor ‘haar op de bovenlip’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snor haar op de bovenlip 1844 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut