Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snol - (hoer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snol zn. ‘hoer’
Vnnl. snol ‘minnares, liefje’ in schoon snol ‘mooi liefje’ [1605; iWNT], maar meestal reeds ‘ontuchtige vrouw’ in die troetel-siecke Snollen [1612; iWNT].
Afleiding van het verouderde werkwoord snollen ‘eten, smullen’ [1477; Teuth.], zoals nog in die ... met drincken, smullen, snollen, lachen, ... goede chiere maecken [1647; iWNT], maar daarvoor ook al ‘hoeren bezoeken’ in uyt snollen gaen ‘naar de hoeren gaan’ [1613; iWNT]. Het werkwoord is wrsch. een van de klankexpressieve formaties uit de onder → snuiven aangevoerde groep woorden voor acties waarbij sprake is van een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snol* [hoer] {1551-1600 als vleinaam voor een kind; de betekenis ‘minnares’ 1605; de betekenis ‘hoer’ 1612} van snollen2 [snoepen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

snol

Er zijn woorden die in rang en aanzien stijgen en andere die dalen. Een voorbeeld van het eerste is maarschalk eigenlijk: paardenknecht. Een voorbeeld van daling is het woord slecht (zie dat woord). Zo is ook het woord snol in aanzien gedaald. Vroeger kon het gebruikt worden voor een begerenswaardige vrouw. Vondel noemt zelfs de godin Venus een soete snol. Nu betekent het alleen: ontuchtige vrouw, lichtekooi. Het woord snol hoort bij het werkwoord snollen, dat vroeger gewoon was voor: smullen en voorts wat het woordenboek plechtig noemt: zingenot najagen. Wat de betekenis betreft kan men vergelijken de term: oude snoeper voor: oude vrouwengek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snol znw. v., sedert het oudere nnl. vgl. fri. snol ‘snol, boos wijf’. Behoort tot het ww. snollen en wat de bet. betreft kan men vergelijken ‘een oude snoeper’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snol znw., sedert het oudere Nnl. = fri. snol “snol, boos wijf”. Oorsprong onzeker. Bij Teuth. snollen “eten”? Eer heeft mnl. besnollen (hap. leg.) “bedriegen, foppen”, dat ten onrechte bij snel is gebracht, iets met snol te maken; aan dat woord herinnert in bet. Antw. snollen “spieden, snuffelen”, snol “snuffelaar, afspieder”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snol. Combinatie met Teuth. snollen ‘eten’ is niet verwerpelijk, wanneer men uitgaat van dial. (Oost-Brab., Nijmegen, N.-Limb. volgens mededeling A.F.de Bont) en ouder-nnl. snollen ‘snoepen’. Voor de bet. vgl. dan (oude) snoeper, ouder-nnl. snoepreisje ‘buiten-echtelijk minnespel’ e.d. Zuidndl. snollen ‘spieden, snuffelen’, antw. snol ‘snuffelaar, afspieder’ kunnen ook hierbij horen. Mnl. besnollen hap.leg.; of besnol bnw.?) is te onzeker van bet. en blijft beter buiten beschouwing.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snol v. (gemeen wijf), + Ndd. en Fri. id.: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

snol s.nw.
Ontugtige vrou.
Uit Ndl. snol (1638), 'n afleiding van snollen 'genot van die minnespel najaag'.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

snol: hoer, prostituee. Van Middelnederlands snollen: ‘snoepen’, en in die zin eigenlijk ‘oude snoeper’. In de jeugdtaal van eind twintigste eeuw is de betekenis verschoven naar ‘meisje dat met iedereen aanpapt; een allemansvriendinnetje; een onbetrouwbaar meisje.’ (zie Hoppenbrouwers). Vgl. in dezelfde zin slet*.

Hun liederlijkheid, als ge die zoo noemen wilt, is van gansch anderen aard dan die der snollen. (Het Leven, 23/08/1924)
… die moeder van mijn moet een snol van het Ouwekerksplein zijn geweest… (Piet Bakker, De slag in de Javazee, 1951)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snol* hoer 1612 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut